Sommige mensen slagen er in om tot op heel hoge leeftijd bijzonder lucide te blijven. De voormalige Duitse bondskanselier Helmut Schmidt is daar een perfect voorbeeld van. Enkele jaren geleden vierde hij zijn negentigste verjaardag en als geboren rebel stak hij in een TV-studio tijdens een talkshow de ene sigaret na de andere op. Politiek correct zijn? De man trok het zich niet aan. Met een verbluffend …
Lees meer »
Tot voor enkele maanden was Duitsland nog de Grote Onbekende in Europa, maar dit euvel zijn we langzaam maar zeker aan het oplossen. Ondertussen hebben we al een idee gekregen van Keulen, Frankfurt, Bonn, Düsseldorf en Münster, maar er zijn nog zovele andere bijzonder interessante plekken in het land. Misschien is het dat wel wat we met onze oosterbuur moeten doen: je moet Duitsland niet sympathiek vinden om er belangstelling voor te hebben. Ze zijn niet enkel tot twee keer toe met tank en bajonet langs geweest; de Duitsers hebben tegelijkertijd een kapitale rol gespeeld in de politieke, economische, wetenschappelijke en culturele ontwikkeling van dit continent. Het stigma saai is tijdens de diverse bezoeken nooit ver weg geweest, maar ze moeten er nu eenmaal mee kunnen leven dat ze op een aparte wijze worden getypeerd. Verder gaat onze wrok, ondanks alles wat er is gebeurd, niet. Het kan er zelfs interessant zijn.
De volgende fase in het Duitslandverhaal bestaat uit een vijfdaagse rit die ons naar de hoofdstad brengt. Berlijn, misschien wel hét icoon van de twintigste eeuw, staat symbool voor twee wereldbranden en een veertig jaar lang verdeelde planeet. Na een tweedaagse visite aan Berlijn rijden we dieper de Ostzone in richting Leipzig. Daar waar de vreedzame Montagsdemo’s in 1989 de toon zetten om hervormingen te eisen moet wel een en ander te zien zijn. Bovendien willen we nagaan of er nog iets rest van het voormalige Oost-Duitsland. Het land is nu al bijna twintig jaar herenigd, maar nog steeds gaan vele transfers van West naar Oost. Brengt dit zoden aan de dijk? Ten slotte konden we het niet laten om tijdens de lange rit tussen het vaderland en de Duitse hoofdstad even halt te houden in nog zo’n naam waar we al veel over hebben gehoord maar waar we ons niets kunnen bij voorstellen: Hannover. De opdracht is dus zwaar: vijf dagen Duitsland zonder een overkill op te lopen. We zijn ondertussen gelukkig al een en ander gewoon.
Duitse snelwegen zijn over het algemeen van goede kwaliteit. Hier geen semi-onverharde stukken die de wagen te pas en te onpas uit balans brengen of zorgen voor een tortuur van de ophanging. Asfalt en aanverwante textuur blijft hier ook na een strenge winter in de oorspronkelijke vorm liggen. Komt daarbij het regelmatig opheffen van de snelheidslimiet en elke redelijke chauffeur tovert een glimlach op het gelaat. Wie zijn wij om dit hem of haar niet te gunnen? Veiligheid gaat uiteraard boven alles, maar als het eventjes kan mag de liefhebber van snelheid zijn of haar lusten een klein beetje botvieren. Zolang alles beheerst gebeurd mag er in principe niets fout lopen. De Duitsers hebben in het verleden ruimschoots bewezen bevelen te kunnen opvolgen; op de autosnelweg geldt precies hetzelfde: tachtig waar het moet, voluit genieten waar het kan. We zijn allemaal van vlees en bloed. Alle remmen los dus, maar alsnog blijkt Duitsland het enige land dat hiermee kan omgaan. Of hoe verwoede pogingen om toch enige charme uit te stralen uiteindelijk de snelheidsfanaten te goede komen. Dank u.
In Hannover bevind je je reeds in de helft van het traject Aken-Berlijn. De vraag die Der Spiegel zich ooit over de stad stelde beloofde niet veel goeds: “Is Hannover de saaiste stad van Duitsland?” Het lijkt een vernietigende quote te zijn: in dit land tot saaiste stad worden uitgeroepen is zoals het ontvangen van de prijs van de beste nerd in de klas der hopeloos saaie mensen. Als belediging kan dit tellen, maar de inwoners van de hoofdstad van Niedersachsen doen er alles aan om Der Spiegel‘s opwerping te ontkrachten. Gelukkig maar.
Hannover is in Duitsland een niet onbelangrijke stad. Doordat de plek makkelijk over water met Bremen verbonden is had ze vlot toegang tot het Hanzenetwerk. Later, bij de industrialisering van Duitsland en de ontwikkeling van het Ruhrgebied lag Hannover op het kruispunt van water- en spoorwegen richting het centrum van bedrijvigheid. Wie van het oosten kwam moest Hannover voorbij. Eventjes was het zelfs Koninkrijk Hannover, want het Congres van Wenen van 1815 verhief de stad met royale prerogatieven, aangezien de Hannoverianen, wegens hun personele unie met het Britse vorstenhuis, in de Napoleontische oorlogen de eilanders steeds hadden gesteund. In het proces van de Duitse eenmaking kwam daar na de Oostenrijks-Pruissische oorlog (1866) een einde aan.
De stad was echter gelanceerd en bloeide als nooit tevoren. De bevolking verviervoudigde. Tijdens de tweede wereldoorlog werd Hannover, net zoals zovele Duitse steden, voorwaar met de grond gelijk gemaakt. Negentig procent van de stad lag in puin, maar die schade werd snel in een economisch wonder geconverteerd. In de buitenwereld is Hannover vandaag vooral bekend om haar handelsbeurzen en CeBIT, dé belangrijkste IT-beurs van het continent. Bovendien kwam de wereldtentoonstelling hier in 2000 langs en die gaf, zoals in zovele steden, een impuls aan de economische ontwikkeling. Voor zover dat in Hannover nog nodig was.
De Innerstad heeft hier en daar toch wel wat leuke plekjes. Nabij het voormalige Rathaus valt de Marktkirche St. Georgii et Jacobi op. Deze nu lutheraanse kerk stamt uit de dertiende eeuw – lang voor Luthers’ geboorte – en is het meest zuidelijke voorbeeld van wat men noordduitse baksteengothiek is gaan noemen. De kerk viel tijdens de tweede wereldoorlog grotendeels ten prooi aan geallieerde bommen, maar werd tussen 1946 en 1952 herbouwd. Binnenin valt vooral het nieuwe orgel op. Bovendien vindt de kerstmarkt – we zijn in Duitsland – al sinds het midden van de negentiende eeuw rond deze Marktkirche plaats. Tot anderhalf miljoen mensen maken jaarlijks de tocht om de Weihnachtsmarkt van Hannover te trotseren. Het hoeft niet altijd Keulen te zijn.
Vlakbij het nieuwe stadhuis bevindt zich het hoofdkwartier van de Norddeutsche Landesbank. Het futuristische complex lijkt wel in twee tijdperken te zijn ontstaan: de onderste verdiepingen met kantoren zijn rechtlijnig, hoekig en functioneel, terwijl de bovenkant op een haardos met talloze weerborstels lijkt. De glazen gangen en lokalen schijnen wel alle kanten op te gaan. De 295.000 kubieke meter grote constructie werd in 2002 opgeleverd en is van de hand van het gerenommeerde architectenbureau Behnisch. Het mag dan al grotendeels een zakelijke functie hebben, voor Hannover is dit hoofdkwartier van de Norddeutsche Landesbank een grote aanwinst. Moderne architectuur blijft fascinerend.
Vanuit Hannover is Berlijn toch nog een flinke drie uur rijden. Tijdens de rit van West naar Oost kan je niet anders dan de Ehemalige Innerdeutsche Grenze oversteken. Dat is de term die vandaag de dag wordt gehanteerd voor de lijn die tot 3 oktober 1990 de BRD van de DDR scheidde. Zo wordt het ook op de toeristische aanplakborden gezet. Gelukkig heeft men het patrimonium van de communistische modelstaat niet helemaal ontmanteld. Aan de grens zijn de wachttorens blijven staan. U kwam het ijzeren gordijn niet zonder slag en stoot over. Ondertussen heeft al een ganse generatie Duitse jongeren muur noch gordijn gekend; deze relieken kunnen hen helpen om voor te stellen wat voor hun ouders en grootouders de dagdagelijkse praktijk was. Het heeft wel iets griezelig en is lange tijd het enige teken van menselijke activiteit dat we in die ehemalige DDR konden waarnemen. Tot aan de suburbs van de hoofdstad kregen we niets anders dan bossen te zien. Tientallen kilometer bomen.
Bij het binnenrijden van West-Berlijn moest je ook over de autosnelweg door checkpoints. Verkeer die uit het zuid-oosten kwam moest via Checkpoint Bravo – Dreilinden en kwam op die manier de Amerikaanse sector binnen. De restanten zien we vandaag nog staan, maar hier stonden mensen soms lang aan te schuiven om nadien de boodschap te krijgen rechtsomkeert te maken.
De gelukkigen kwamen meteen op de AVUS terecht, de Automobil-Verkehrs- und Übungs-Straße, die hen recht naar de binnenstad bracht. Dit lange rechte stuk autosnelweg was niet enkel een plaats waar de Duitse constructeurs hun raspaardjes konden testen, maar tot 1998 deed het ook als regulier autocircuit dienst. Een verschrikkelijk ongeval van de inmiddels overleden John Winter in 1994 en een dodelijk ongeval een jaar later bezegelden het lot van de AVUS. De vervallen hoofdtribune zagen we alvast nog staan. Autosportarcheologie.
Onze ervaren gids waarschuwde ons dat de oppervlakte van Berlijn niet van de poes is: de Duitse hoofdstad is maar liefst acht keer groter dan Parijs, maar dan wel met veel stukken groen tussen de verschillende wijken. Zo bleek ook. Langs de grote invalswegen zagen we niets anders dan bomen en struiken, omzoomd door gietijzeren bruggen die vaak wel een laagje verf konden gebruiken. De natuur kon hier zijn gang gaan, al liet het een bijwijlen wanordelijke en on-Duitse indruk na. Zo ging het door tot in het centrum van de stad. Of beter: van de stadsdelen. Een echt centrum heeft Berlijn niet. Het is meer een juxtapositie van groot uitgevallen wijken, maar aangezien onze tenten enkele dagen nabij het Mitte waren opgeslagen, moet er toch ergens een centraal punt te onderscheiden zijn.
Er hing wel een gezellig sfeertje. Onze Schönhauser Allee, de Oost-Berlijnse laan nabij het hostel, had wel iets van een kleine Parijse boulevard, genre Boulevard de Ménilmontant, die de wat dorpse karaktertrekken van de gelijknamige voormalige gemeente en het belendende Belleville heeft. Iets dergelijks straalde deze Berlijnse Allee uit, zij het dat het er minder druk en een stuk leefbaarder was. Ademruimte en gratis parking, bankjes en gezellige terrasjes, snel weg en weer met U2. Dat het in het voormalige Oosten van de stad was gelegen zou je als neofiet niet meteen kunnen vermoeden. De wegen zijn in prima conditie, de meeste huizen goed verzorgd en we zien opvallend weinig stalinistische artefacten: deze wijk is het levende bewijs dat de muur al bijna dan twee decennia ten gronde is gericht. Tempus fugit.
De Potsdamer Platz zou een eerste indicatie moeten geven van hoe Berlijn de eenentwintigste eeuw is binnengestapt. Een trits wolkenkrabbers, een modern station en een hip winkelcomplex moeten dit plein het cachet van een wereldstad geven. De zes hompen Muur die voor een herinnering aan wat ooit was zorgen trekken voornamelijk Japanse toeristen met dito camera aan. Het vermeende eerste verkeerslicht op het continent (1924) brengt een ander soort nostalgici op de been, maar een icoon van Duitse dynamiek is deze Potsdamer Platz allerminst. De DB-toren is mooi, maar – het begint arrogant te klinken – in vergelijking met New York City en Chicago (of zelfs Frankfurt) is dit geen straffe kost. Het Sony Center mist enkel de jackpots om op een mini-Las Vegas te lijken. Misschien mogen we ook niet telkens een aha-erlebnis verwachten, maar we zijn dit jaar al meermaals sterker onder de indruk geweest dan, for God’s sake, de Potsdamer Platz. Het zou in Berlijn een constante worden: deze stad valt enkel te appreciëren als je het comparatief perspectief verlaat. Berlijn is een aparte categorie: misschien wel de belangrijkste stad van de twintigste eeuw, maar nu zoekend naar een balans tussen teren op het verleden en streven naar een eigen plaats in de toekomst. Een stad sui generis.
Vanop de Potsdamer Platz is het via de Ebertstraße maar een steenworp naar de Brandenburger Tor. Onderweg zie je het Stelenfeld, hét Duitse Holocaust-herdenkingsmonument. Het bestaat uit een plein met 2711 betonblokken van 238 cm op 95 cm die variëren qua hoogte. Op een zomeravond houden de blokken de warmte van de dag vast, zodat het er tussenin bloedheet is. Het is alsof moeder de zon de Duitsers blijvend met hun neus op de feiten drukt. Het Denkmal wordt in het oog gehouden door de Amerikaanse ambassade, die nog maar heel recent in gebruik werd genomen. Net zoals alle andere gebouwen rond de Pariser Platz, waaraan de Brandenburger Tor is gelegen. Het plein en de panden er rond zijn tijdens de tweede wereldoorlog grotendeels vernietigd. Na de val van de muur heeft men ze weer één na één heropgebouwd en op die manier het historisch kader hersteld. De Pariser Platz mag dan wel een doorgedreven comeback hebben gemaakt, het zet de Brandenburger Tor – het symbool van de verdeelde stad – letterlijk in de schaduw.
Deze luchtfoto uit 1984 toont links van de muur West-Berlijn en rechts Oost-Berlijn met de Brandenburger Tor omringd door een lege Pariser Platz. De poort stond toen moederziel alleen in een grote open ruimte. Het herstellen van de verdwenen gebouwen rond de Pariser Platz prevaleerde boven het accentueren van hét symbool van de twintigste eeuw in een open vlakte die elke bezoeker koude rillingen bezorgt. Nu staat de Brandenburger Tor wat verloren tussen nieuwbouw. De magie is weg, maar het is een keuze die de Duitsers hebben gemaakt. Quod erat demonstrandum: het kost een verdomde inspanning om deze stad te leren waarderen. We laten het s-woord even achterwege, maar, u vergeeft het ons ongetwijfeld, this could have been so much more impressive… Overtuigen zonder te overdonderen is geen sinecure.

Gelukkig is er nog de Reichstag. Het Duitse parlement is bij nachte wél een must. De koepel die Norman Foster er tien jaar geleden op plaatste mag gezien worden en verzoent het erfgoed met moderne architectuur. Heden en verleden doen samengaan is voor creatieve geesten heus geen onoverkomelijke opdracht. Aan de belichting moet hier en daar nog wat worden gewerkt maar dat doet niets af aan de zaak: a truly remarkable building. Dit in tegenstelling tot de ambtswoning van de kanselier. Het Bundeskanzleramt, van waaruit Angie dit land bestuurt, doopten de Berlijners in de weinig flatterende bijnaam wasmachine. De meningen mogen dan al verdeeld zijn, een deel van het gezelschap vindt het niet meer dan een gedrocht. De gustibus et coloribus non est disputandum, maar dit is toch niet het meest geslaagde gebouw van het nieuwe Berlijn.
De toon is gezet: dit wordt geen gezondheidswandeling. Misschien is het wel dé uitdaging van de reiziger om een niet voor de hand liggende charme te ontdekken en te waarderen. That’s why we travel.
Tags: avus, boulevard de ménilmontant, brandenburger tor, BRD, bundeskanzleramt, checkpoint bravo, DDR, dreilinden, hannover, potsdamer platz, reichstag, sony center
Na veel labeur een goed verkiezingsresultaat neerzetten geeft je als militant een bijzonder aangenaam gevoel. Als je de straat optrekt en vaststelt dat dat waar je voor staat wordt geapprecieerd dan heb je je dagen nuttig besteed. De campagne-inspanningen kosten immers tijd en de opdracht is niet eenvoudig. Het is in onze cultuur weinig gebruikelijk om met veel animo iemand op straat aan te spreken over iets wat de brave man of vrouw helemaal niet interesseert. De return of investment is absoluut onzeker, maar toch doe je het, want je wil met je overtuiging de beste zijn. De grootste. Daarvoor moet je tegen een stootje kunnen. De man in de straat schrikt er niet voor terug om de militant keihard van repliek te dienen. Die politiekers zijn immers allemaal dezelfde. Toen we op de Leuvense Grote Markt samen met een bekend ex-premier een actie organiseerden – een voetbalmatch met oranje – was het commentaar van een dame aan wie ik een kaartje van de kandidaat gaf vernietigend: “Oh, die vetten’ os, daar stem ik nooit voor!” De man in kwestie stond enkele meter verder in de goal en hoorde de weinig opbouwende kritiek gelukkig niet. Respect voor iemand opbrengen is duidelijk geen eenvormig begrip, zelfs al was het tijdens die campagne het wachtwoord. Zeker niet als het gaat om mensen die hypocriet naar die ene stem hengelen. Het zij zo.
Politiek outen blijkt in dit land nog steeds een taboe te zijn, maar we waagden het er toch maar op. De ongelukkigen waartoe we ons begonnen te rekenen hadden enkele maanden voordien een historische nederlaag geleden. De dioxinekippen van 1999 gooiden veel roet in het eten. Na veertig jaar macht werd men en masse naar de oppositiebanken verwezen. Van enig opportunisme kunt u mij dus niet verdenken. Bij de verwante studentenvereniging probeerden we elke dag de studerende jeugd in contact te brengen met politiek in de ruimste zin van het woord en met onze eigen winkel in het bijzonder. Ook dat werd regelmatig op hoongelach onthaald. Paars-groen had de wind mee en de anderen, tja, dat waren die conservatieven die hun handel beter zouden opdoeken. Ook hier moest je dus een en ander kunnen incasseren, maar als student had je tijd genoeg om je wonden te likken. Ze heelden snel. Na enkele pandoeringen werd je immuun voor dat soort onzin. Wij gingen lustig verder met het organiseren van kopstukkendebatten en gespreksavonden met politieke prominenten. Vaak passeerde ook het middenveld de revue, zodat we in al die jaren toch wel een deeltje van de politieke en sociale elite van dit land over de vloer hadden gekregen. Zeker, niet iedereen ging op onze uitnodiging in. De écht grote blauwe kopstukken wilden om één of andere mysterieuze reden nooit naar oranje discussieavonden komen, maar dat konden we hen zelfs niet kwalijk nemen. Er waren immers ook interessante mensen die met studenten van allerlei allooi in gesprek wilden treden. Zij die dat deden bezorgden ons een extra stukje inzicht in de vaderlandse én Europese politiek. Brachten we die dichter bij de mensen? Misschien een heel klein beetje.
Langzamerhand begon het tijd te keren en werd het succes van de activiteiten groter. De onhippen waren plots hip geworden. De mensen zijn graag bij de winnaars. De geïnvesteerde energie begon te renderen. In tijden van verkiezingen actie voeren leverde nog steeds moeilijkheden op – confer de vette os – maar je zag meer en meer goodwill. Het resultaat, al dan niet met de gelen gedeeld, mocht er best zijn. Het voldane gevoel gaf weer de moed om verder te gaan: op de gewone dagen in studentensteden, tijdens verkiezingscampagnes via een bain de foule. Ook de daaropvolgende jaren zagen we veel lachende gezichten.
Politiek is echter een cyclisch gegeven. Je inhoudelijke boodschap verkopen is geen sinecure en na een tijdje zijn de mensen de protagonisten stilaan beu. De omstandigheden om je beloftes te realiseren zitten niet altijd even goed mee. Vanaf 2007 moesten we in eerste klasse spelen en daar werd het in de praktijk brengen van een programma weinig evident. Veel stemmen maken veel vijanden. Het spel was hard tegen onzacht. De geloofwaardigheid van zij die de dans leidden werd op alle mogelijke manieren op de proef gesteld. Soms gebeurde dat via een manifest non, een totale onwil om orde op zaken te stellen. Op andere momenten liet de rechtstreekse concurrentie graag dolken in de rug steken. Nog anderen wilden hun zuiverheid behouden door de dans te ontspringen ondanks alle voordelen die ze via gemeenschappelijke lijsten hadden gekregen. In zo’n omstandigheden raakte je nu en dan het noorden kwijt en volgden meerdere crashes. Te lange leste werd hiervoor de rekening gepresenteerd. Cash.
Vandaag zijn we zover. Ondanks alle pogingen, ondanks alle inspanningen en dankzij alle momenten waarop het eventjes te veel werd is de electorale pandoering een feit. Als militant mag je weer van nul herbeginnen. De man (of vrouw) in de straat is nog altijd dezelfde. Hij (of zij) is tien jaar ouder, heeft wellicht al wat grijzer haar of is kalend, maar nog steeds staat hij (of zij) door de band genomen even kritisch of vijandig tegenover diezelfde politiekers. Nuance in de zaak brengen is in het steeds korter wordende contact niet mogelijk, want de aversie tegenover de verliezer – of hij die niet slaagde – is dominant. Vertrouwen moet herwonnen worden, maar dat is, gezien de ampele waarachtige interesse in politiek, niet evident. De instantie waar men veel meningen vandaan haalt – de media – is niet steeds even bezorgd om een nauwgezette weergave van de gebeurlijke feiten. Laat staan dat een onderbouwde nuancering de weg naar de consument vindt.
Die consument – de fijnproever buiten beschouwing gelaten – is ook kiezer. Voor zover hij (of zij) geen foert zegt, kijkt en vergelijkt hij (of zij). Diegene die het vermeende beste product in de gegeven omstandigheden kan voorleggen krijgt de stem. De militant of de overtuigde daarentegen draait die redenering om: ze kiezen voor hetzelfde product en nemen de omstandigheden erbij. Heeft de één meer gelijk dan de ander? Is een incidentiële keuze meer waardevol dan een haast emotionele overtuiging? Oordelen vellen is te gemakkelijk. De kiezer heeft, zo luidt het, altijd gelijk. Toch kan je je als lid van die tweede soort moeilijk inbeelden om ooit voor die keuze te worden geplaatst: welk maatschappijbeeld ga ik dit keer het parlement insturen? Diegene die het omgekeerde zegt van zij die er niets van bakken? Zij die het eigenbelang vertegenwoordigen? Zij die zeggen dat ze mijn centen zullen beschermen? Deze vraag kan ik, met de beste wil van de wereld, nooit elke keer opnieuw stellen.
Het spreekt voor zich dat geen elke politieke partij voor de volle honderd procent aan iemands overtuiging voldoet, maar als je een bescheiden stem in het maatschappelijk debat wil hebben, dan moet je er ook volop voor gaan. Obstinaat stuurman aan wal blijven spelen brengt uiteindelijk geen zoden aan de dijk. Ga de hort op en druk uw mening door op de plaats waar iets veranderd kan worden. Dat is tot nog toe voornamelijk het politieke bedrijf. Succes is niet gegarandeerd. De omstandigheden zijn niet steeds even gunstig om een zeker gedachtegoed in de praktijk te brengen. Some you win, some you lose, maar de overtuiging blijft overeind.
Tags: cd&v, verkiezingen
We gaan er weer eens van door. Het is een jaarlijkse traditie aan het worden en ik prijs me nederig geprivilegieerd dat ik dit kan doen: de trek naar de overkant van de oceaan. Dit keer gaan we niet naar geheel onbekend terrein, maar wordt het een opvullen van een aantal missing links aan de oostkust, mét een detour langs Québec. De trip begint met een bezoek aan het fantastische Chicago. Onbekend is onbemind, want telkens vraagt men mij wat daar in godsnaam te zien is. Twee jaar geleden waren we er tijdens de Best of the East-tour welgeteld anderhalve dag en het moet gezegd dat de stad een grote indruk maakte.
Van Chicago vliegen we door naar Montréal. Indertijd heb ik mijn thesis politieke wetenschappen over de identiteit van de Québécois – ietwat fout generaliserend de Franstalige Canadezen genoemd – gemaakt en de fascinatie voor La belle province is nooit meer weg gegaan. Het is razend interessant om te zien hoe enkele miljoenen Franstaligen in een Engelstalig continent stand kunnen houden. Heeft een Franstalige oase in een Angelsaksische woestijn een toekomst? Aan ons om het na een jammer genoeg te kort bezoek aan Montréal en Québec(-stad) uit te vissen.
Een bezoek aan de oostkust is niet compleet zonder een ommetje langs de stad der steden. New York City blijft nog steeds mijn absolute nummer één in mijn stedenranking. Hors catégorie. The city that never sleeps. Geen discussie mogelijk, maar we hebben het al twee keer gezien dus staan we er dit keer niet te lang bij stil. De reisgenoten hebben het recht om ook andere steden aan de oostkust aan hun kritische blik bloot te stellen. Enkele dagen relaxen aan de kust van New Jersey in Atlantic City moet voor wat afwisseling zorgen, om te eindigen met Philadelphia en Washington DC. Zeven intense citytrips na elkaar: het wordt niet meteen een vakantie waarvan je uitrust, maar de batterijen worden hierdoor wel efficiënt opnieuw opgeladen.
Tags: atlantic city, chicago, montréal, new york city, philadelphia, québec, washington dc
Het hoeft geen betoog dat bij de minste vorm van communautaire hoogspanning aan beide zijden van de taalgrens emoties hoog oplaaien. Het is een haast passioneel gebeuren. Leeuwenvlaggen en Tricolores worden gehesen. België barst en Eendracht maakt macht galmen door de smalle steegjes van pittoreske faciliteitengemeenten. Donderspeeches van Vlaamse Hauptmannen en noodkreten van tot tranen toe bewogen patriotten entertainen de huiskamer. Ieder zijn eigen grote gelijk. Nuance, laat staan het uitschreeuwen van compromissen, komt niet goed over op de kijkbuis. Het duurt te lang om dat uit te leggen en dat is zonde van de zendtijd. Men zou wel eens kunnen wegzappen.
Beide partijen ondernemen actie. Aan Vlaams-Nationalistische zijde heeft men ondertussen al decennia ervaring met het verkondigen van de blijde boodschap. De foute radicalen – ik hoef ze u niet voor te stellen – kunnen met grof geschut, opruiende taal en een ordinair xenofoob discours een massa achter zich krijgen. Soms lukt het, soms lukt het niet. De laatste tijd zijn ze iets minder in vorm, maar we mogen ze toch niet wegcalculeren. Ze spreken een deel van de bevolking en een bepaald electoraat aan, ondanks hun op zijn zachtst gezegd discriminerende toon. De minder foute radicalen komen met een doordacht plan naar buiten. Ze weten waar ze naar toe moeten, kennen hun geschiedenis en hebben slimme oplossingen voor het geval ze hun einddoel bereiken. Vaak leggen ze een vinger op de wonde waar je nauwelijks een speld tussen krijgt. Ze hebben een eigen uitgebouwde politieke partij en nemen deel aan het maatschappelijk debat. Men slaagt er in geloofwaardig over te komen en een intellectuele elite achter zich te krijgen. Ondanks deze segmentering kunnen Vlaams-Nationalisten zich organiseren en voor hun eigen even diverse achterban wegen op het maatschappelijk debat.
Nu kunt u mij bezwaarlijk van Vlaams-Nationalistische sympathieën verdenken. Hoewel ik respect kan opbrengen voor zijn intellectuele bagage is deze man mijn vriend niet; zijn partij moet ik al helemaal niet en ik was wellicht een van de weinigen die maar wat blij was toen het kartel tussen zijn en mijn partij ophield met bestaan. Het kartel heeft een tijdje een bestaansreden gehad, maar dit hoofdstuk is afgesloten. De partij gaat verder op de ingeslagen weg: ze voert een Vlaamse koers en kiest voor hervormingen, maar in dialoog met de tegenpartij. En ja, sommige uitspraken waren ongelukkig, maar ze zijn evenzeer uit hun context getrokken. Er werden fouten begaan, maar weinigen hebben de moeite gedaan om het ook maar een beetje te laten slagen. We kijken naar de toekomst en hopen ooit eens van de troubles verlost te zijn.
Ondertussen komt er ook van de andere zijde reactie. Op verschillende momenten scheen het land onbestuurbaar te worden. Eind 2007 was een regering vormen haast onmogelijk; een jaar later moest men hemel en aarde bewegen om nog een eerste minister te vinden. Een vlaag van neo-belgicisme stak de kop op. Dat was er al langer, maar het bleef tot dan toe vooral bij toogpraat en uitspraken van mensen die onverschillig stonden tegenover het politieke bedrijf en al helemaal niet op de hoogte waren van de reële institutionele problemen: “We zijn toch allemaal Belgen. Dat ze zich met de echte problemen bezig houden.” Voor het eerst sinds lang begonnen ze zich ook ietwat te organiseren, maar konden of kunnen niet tippen aan hun geel-zwarte tegenhanger. Meer zelfs: het neo-belgicisme komt misschien wel diep uit het hart van goedmenende lieden, maar het gebezigde discours is soms zo naïef en onrealistisch dat je in een dronken bui Bart De Wever en consoorten gelijk zou geven. Daarmee torpederen ze elke vorm van geloofwaardigheid.
De kamikaze neemt heel wat vormen aan. Jonge patriotten stichtten in 2002 de B.U.B., de Belgische Unie – Union Belge. Op een of andere manier ben ik op hun nieuwsbrief geabonneerd geraakt. Misschien had ik ooit wel sympathie voor mensen die tegen de stroom durfden in te varen. Week na week wordt al wie het wil weten bestookt met unitaristische propaganda. Het staat iedereen natuurlijk vrij om zijn of haar mening te uiten, maar het reactionaire betoog is dermate dromerig dat men zich afvraagt of de partij haar eigen ruiten niet aan het ingooien is. Een citaat uit het recentste nummer:
Beste landgenoten,
Het zijn moeilijke tijden voor België, maar dat betekent niet dat we onze unitaristische droom moeten opbergen. Integendeel. Deze zware politiek-communautaire crisis toont het faillissement van het taalfederalisme aan, een apartheidssysteem dat ons zonder enig referendum werd opgedrongen. Deze crisis kan dan ook een gelegenheid zijn om onze unitaristische droom te verwezenlijken.
De B.U.B. ijvert reeds bijna 10 jaar voor een nieuw unitair en tweetalig België op basis van de 9 historische provincies. Wij hadden echter te vroeg gelijk. Nu beginnen de aanvragen voor lidmaatschap massaal binnen te stromen als nooit te tevoren. Het uur van de waarheid heeft geslagen. De bevolking heeft begrepen dat het tijd is voor een grote verandering.
De rede is nu een unitair België met 9 provincies zonder taalfederalisme en de gerechtelijke vervolging van diegene die verantwoordelijk zijn voor het huidige apartheidssysteem !
Terug naar 1830, maar mét een effectief tweetalig België. De Vlamingen gaan er dus op vooruit. Don’t take this personal, maar mijn aangeboren nuchterheid kan na het lezen van deze tekst maar tot één conclusie komen.
Andere operaties ridiculiseren zichzelf dan weer door een gebrekkig taalgebruik. Omdat de initiatiefnemers vaak Franstaligen zijn doen de mensen alle moeite van de wereld om alles ook in het Nederlands ter beschikking te stellen. Het siert hen, maar als je iets doet, doe het dan goed. Heel wat Vlamingen hebben nu eenmaal de neiging om de geloofwaardigheid van de Franstalige inspanningen om het Nederlands als evenwaardige taal te beschouwen af te meten aan de mate waarin men correct Nederlands spreekt of schrijft. Vzw Pro Belgica, een organisatie die de vaderlandsliefde in de ruimste zin van het woord wil promoten, publiceert op haar website een interessant traktaat over patriottisme, maar een simpele ziel kan onmiddellijk afleiden dat de Nederlandse versie een letterlijke vertaling van het Frans is. Sommige woorden zijn niet enkel verkeerd vertaald, vele zinsconstructies worden in het Nederlands helemaal niet gebezigd. De vertaling is duidelijk niet door een native speaker nagelezen en dat wekt meteen de indruk dat men het vertaald heeft om het te vertalen. Zonder meer. Hoe wil je nu dat dit bij Vlamingen, in godsnaam, indruk maakt? Enige deernis met deze opnieuw wellicht goedmenende patriotten maakt zich van mijn meester. In die context kunnen we ook de pro-Belgische betoging van eind 2007 aanhalen. In volle oranje-blauwe onderhandelingen slaagde een Franstalige dame er in om duizenden – vooral Franstalige Belgen – te mobiliseren voor een Brusselse mars om de eenheid van het land te benadrukken. Toen Vlaamse tv-stations haar om een interview vroegen weigerde ze of kon ze hen niet in Nederlands te woord staan. Tja, waar ben je dan eigenlijk nog mee bezig?
Ook het cdH gaat op dit elan verder. De partij trekt naar de verkiezingen met l’union fait la force als strijdkreet. Een mooie website en ettelijke facebookgroepen moeten mensen mobiliseren. Elke stem telt, maar na alles wat er is gebeurd klinkt Milquet’s oproep tot eenheid, tja, op zijn zachtst gezegd weinig credibel in het noorden. Neen zeggen tegen extremisme is natuurlijk niet slecht, maar daar gaat het eigenlijk helemaal niet om. Natuurlijk wil men met deze boodschap een electoraat voor zich winnen, maar men mag het ons niet kwalijk nemen dat dit soort leuzes – dé leuze – aan Vlaamse kant, again, zeer ongeloofwaardig overkomen.
Op die manier maken neo-belgicisten het de Vlaams-Nationalisten wel heel makkelijk. Ze hoeven de bal maar binnen te koppen. Dit is een electorale goudmijn voor Bart De Wever en de zijnen. Het risico dat Vlaanderen verder radicaliseert, met alle gevolgen van dien, is dan ook hoog. Dat zou jammer zijn. Met de beste wil van de wereld: op die manier zullen we het land niet redden. Het zou wel eens l’union fait la farce kunnen worden. Stop daarmee. Gedraag u en ga aan tafel zitten. Enne… don’t take it personal.
Tags: BUB, cdH, joëlle milquet, pro belgica, vlaanderen, Wallonië
West-Vlaanderen stond vorige vrijdag op zijn kop. Eén van de meest gerespecteerde onderdanen had zich in een niet al te ver verleden bezondigd aan kindermisbruik. Niemand minder dan bisschop Roger Vangheluwe gaf in een wanhopige brief toe dat hij voor en ook na zijn bisschopswijding zedenfeiten heeft gepleegd. Roger! Rogertje! De bisschop van Brugge! De immer goedlachse dienaar van de Kerk had maar weinig vijanden in de kustprovincie. Zelfs de meest rabiate atheïsten die bij het ontbijt elke dag een katholiek verorberden spaarden onze Roger van een gewisse dood. Hij was niet louter een bisschop die in de Heilige Geeststraat op zijn troon zat. Hij was een volksmens die het niet te min vond om in de lokale parochiezaal een missiefeest op te luisteren. Of beter: de volksmens-netwerker, want Roger was als bisschop geen naïeveling. Op een receptie kom je veel mensen tegen die je in een of andere hoedanigheid nog wel eens nodig kan hebben. Roger Bisschop Vangheluwe probeerde de ganse zaal te hebben gezien. Het leek wel een politicus op campagne. Maar toch: Nobody disliked Roger. Althans niet openlijk, want het is wellicht stil waar het nooit waait.
Nu blijkt dat de man ook een andere zijde had is de ontreddering bij zijn volgers groot. Velen begrijpen niet hoe Roger zo lang een dubbel leven kan hebben geleid. Aan de ene kant de jovialiteit zelve, aan de andere kant een dominante en misschien wel meedogenloze eigenaar van losse handjes. Waarschijnlijk weten enkel Vangheluwe en de betrokkenen wat er precies is gebeurd. De voormalige bisschop is oud en theologisch gedocumenteerd genoeg om te weten hoe hij binnen zijn paradigma met zijn geweten in het reine kan komen, al lijkt dat toch geen sinecure. De schade voor de slachtoffers is enorm en onuitwisbaar. Hoe hij dit ooit kan goed maken, voor zover je in deze termen kan spreken, blijft een open vraag. Velen verketteren Rogertje, de man waarin ze zo lange tijd hebben geloofd, tot in het absolute. Roger is een slecht mens. Of hij ooit uit de hoek der verdoemenis komt is maar de vraag. Een desperado-scenario wenkt. Vangheluwe zal de laatste fase van zijn leven in een klooster, aan de andere kant van de wereld of in de nor moeten doorbrengen. In zijn geliefde West-Vlaanderen zal hij zich nergens meer in het openbaar kunnen vertonen. Beladen met schande.
Hoe erg de feiten ook zijn, ik heb toch wat moeite met de definitieve veroordeling van een man die ver over de schreef is gegaan. Daarvoor moet je zelfs geen beroep doen op een christelijk zonde-boete-vergiffenis-concept, want dat is uiteindelijk ook holle retoriek. We weten niet wat er in het hoofd van Roger omging. De dualiteit van zijn gedrag is zo extreem dat een gangbare categorisering haast onmogelijk is. De enerzijds-anderzijds-dialectiek is daarvoor te onthutsend. Enerzijds gaf hij decennialang het beste van zichzelf en was hij de inspiratiebron voor duizenden mensen. Anderzijds beging hij één van de grootste inbreuken op de menselijke waardigheid. Een grotere tegenstelling is moeilijk denkbaar en dat maakt het uitspreken van een gefundeerd moreel oordeel bijzonder moeilijk tot ronduit onmogelijk. We kunnen echter niet voorbijgaan aan het feit dat het misbruik van macht over een weerloos slachtoffer niet enkel in de publieke opinie, maar ook in het gezond verstand – voor zover dat bestaat – zwaarder doorweegt. Dat een meerderheid Roger ronduit slecht noemt is dan ook niet verwonderlijk. Het zal, weerom, aan de historici zijn om binnen enkele decennia de infrastructuur te bieden om definitief oordeel over de figuur te vellen. De synthese die na de heuristiek en de kritiek komt zal rekening houden met de twee Rogers. Eén ervan is de tragische pervert, de andere is de man die de Kerk in tijden van pest en cholera recht hield. Zelf zal hij dat genuanceerd verdict niet meer meemaken. Jammer, maar helaas.
Vangheluwe’s confessie is er gekomen in het kader van een quasi-heksenjacht naar pedofiele geestelijken. Aasgieren zijn van alle tijden, maar het Instituut heeft niets gedaan om dat ook maar enigszins te voorkomen. Voor de enen was het een omerta, voor de anderen een doofpot. Schande was het, uiteraard, maar er openlijk mee naar de wereldse instellingen trekken was not done. Men probeerde het intern, binnen de eigen structuren op te lossen, maar dat had zo zijn beperkingen. Slachtofferzorg, voor zover dat die zich al konden uiten, lag in die constructie moeilijk. Ogen sluiten en hopen op vergiffenis. Verdringingsgedrag. Men betaalt nu de rekening voor de jarenlange wereldvreemdheid, de weigering om mee te draaien in de profane buiten-wereld. Cash. Ondergaan en zorgen voor damage limitation is het enige wat er nu op zit. Het belooft geen leuke tijd te worden voor Léonard en consoorten. In plaats van voor een reactionaire revolutie te zorgen zullen de omstandigheden hen misschien wel nopen om al hun aandacht aan een meer open Kerk te besteden. Als men daar én, a fortiori, in Rome niet wil over nadenken zal men in Europa stilaan de koffers mogen pakken. Niet dat ik daar wakker van lig, maar men moet wel beseffen dat de toekomst niet in het verleden ligt. En aan de ijverige journalisten: niet elke priester die een schouderklopje uitdeelt is een pedofiel.
Ondanks de tragiek van de voorbije week duiken al meteen de eerste grappen op: “Vangheluwe is al helemaal ingeburgerd in de abdij van St Sixtus en heeft het er erg naar zijn zin. Hij was nog niet helemaal binnen of de abt vroeg hem al: “Moet dat eentje zijn van zes, van acht of van twaalf?” Zwarte humor, inderdaad.
Tags: ratzy, roger vangheluwe
Het was me weer het dagje. De regering-Leterme II heeft haar ontslag ingediend nadat Open VLD besloten had om de ploeg te verlaten. De partij had een deadline gesteld: tegen uiterlijk 14u15 vandaag, 22 april 2010, moest er een akkoord zijn om dat perfide kiesarrondissement voor eens en voor altijd te splitsen. Was dat niet het geval, dan zegden ze dag met het handje aan Leterme II. De partij van Alexander De Croo wou haar tanden laten zien. Het was niet omdat ze nu stukken minder stemmen dan CD&V hadden én de premier niet meer leverden dat ze niet meetelden. Open VLD ging en zou het geweten van Vlaanderen spelen. Ter stemming in het parlement, nu!
Tijden kunnen veranderen. In een niet zo lang verleden verweet Verhofstadt dat het toenmalig kartel CD&V-N-VA voor verdeeldheid wou zorgen. Ze wou geen mensen samenbrengen, maar mensen tegen elkaar opzetten. De twee taalgemeenschappen moesten elkaar niet uitdagen, maar verbroederen. Met een communautair discours raakte je nergens. Dat in dit land een en ander moest veranderen wist men bij de Vlaamse Liberalen ook wel, maar het was geen punt voor hen. Begrijpelijk: na een abominabel Verhofstadt II moesten ze een verschil kunnen maken met die verdomde Christen-Democraten. Ondertussen zijn we drie jaar en twee verloren verkiezingen later. Het communautaire thema heeft inderdaad voor crisis na crisis gezorgd, maar de liberalen hebben het nooit nagelaten om munt te slaan uit de moeilijkheidsgraad van het onderwerp én sabotage te ondernemen waar nodig. Ook deze week hebben ze van die beproefde methode duchtig gebruik gemaakt, zij het dat ze zich nu opwierpen als de verdedigers van de Vlaamse Zaak. In het West-Vlaams hebben we daar een geijkte uitdrukking voor: Het paste in hun kraam. Plat opportunisme zoals we het van hen gewoon zijn.
In tegenstelling tot de vorige affaires staat nu een nieuwe generatie aan het roer van de partij. Na de Europese verkiezingen van juni 2009 trok super-Karel naar de Europese Commissie en werd Guy Verhofstadt Europees parlementslid, waar hij meteen een de liberale fractie ging leiden. De voormalige premier was na het vertrek van Bart Somers nog eventjes ad interim voorzitter van Open VLD en onderhandelde zo goed tijdens de Vlaamse coalitiegesprekken dat zijn partij werd buitengegooid. Het was tijd voor een tabula rasa. Alexander ‘zoon van Herman’ De Croo werd tot voorzitter verkozen en naast hem begon Vincent Van Quickenborne zich als extra sterke man op te werpen. Meteen moesten zij ook hun partij vertegenwoordigen tussen de grote jongens en meisjes. Zo ook in de onderhandelingen van de discussie der discussies: het ondertussen legendarische BHV. De Croo rolde de spierballen, stelde een ultimatum waarmee hij meteen elke deftige discussie onmogelijk maakte. Geen akkoord te bereiken? Met een mes op de keel lukt dat gewoon niet. Het ging niet om een coalitieakkoord in een provinciestad: het ging om misschien wel het meest complexe probleem uit de voorbije halve eeuw. Exit Open VLD, exit Leterme II. De tweet van de eminente economist Paul De Grauwe, tevens ex-VLD-senator, sprak boekdelen: “De nieuwe VLD. Een troep kleine kinderen die met stekjes spelen naast een kruitvat.” Vernietigend.
De Croo en co zijn natuurlijk niet de enige verantwoordelijken voor dit drama. Ze zijn hooguit ordinaire macho’s die electoraal profijt wensen te halen uit een rondje hoog spel spelen. Stonden we dichter bij een algeheel compromis, dan zouden ze wel een ander moment hebben gevonden om perfide manoeuvres uit te voeren. Veel nefaster is de houding van de Franstaligen in dit débâcle. Didier Reynders en Joëlle Milquet – de PS nam dit keer een meer low profile-houding aan – voerden hun traditionele toneeltje op. Nous ne sommes demandeurs de rien. Ondanks de maandenlange informele bilaterales van Jean-Luc Dehaene was het de nouveau Monsieur en Madame Non. Dit tot grote woede van Dehaene die terstond zijn opdracht aan de vorst teruggaf. Natuurlijk hebben ze naar hun achterban een bepaalde strategie te verdedigen, maar een ongenuanceerd non toont de manifeste onwil aan om tot een akkoord te komen. In welke mate kolderfiguur Olivier Maingain daartoe heeft bijgedragen laten we in het midden, maar met Reynders en Milquet viel niets aan te vangen. Nog niets. We weten niet hoe de onderhandelingen zouden zijn geëvolueerd mocht Open VLD de stekker er niet hebben uitgetrokken. Dat Reynders natrapte door te stellen dat Jean-Luc Dehaene een Vlaamse torpedo afvuurde was niet enkel vals, het getuigde ook van een bijzonder gemis aan respect voor een staatsman die nog maar eens het land uit de penarie wou helpen. Op zijn zeventigste had hij wellicht liever meer tijd met zijn kleinkinderen gespendeerd dan dag in dag uit nota’s en non-papers met Milquet en Reynders door te nemen. Ongehoord. Een mens kan zeer laag vallen.
De Franstaligen zijn zich blijkbaar niet bewust wat voor consequenties hun obstinate non voor hun zo geliefde België kan hebben. Aan Vlaamse kant zal er sowieso een radicalisering optreden. Bij mogelijke verkiezingen denk ik liever niet aan de gecumuleerde stemmen van de N-VA, de LDD en het Vlaams Belang. Drie partijen die resoluut voor een splitsing van dit land kiezen. Na al wat er de voorbije jaren is gebeurd zal er ook bij de drie groten nog weinig animo zijn om er iets van te maken. De historische verantwoordelijkheid van de Franstalige partijvoorzitters is moeilijk te overschatten. Jawel, ook boven de taalgrens zijn er mensen die nog van dit land houden, maar geen enkel geduld is eindeloos. Er moet dan wel niet met vlag en wimpel worden gezwaaid, maar wat respect en een efficiëntere overheid eisen is geen uiting van plat nationalisme. Zolang men steeds in clichés blijft vervallen gaan we geen stap vooruit zetten. Integendeel. Dit begint op een omgekeerde processie van Echternach te lijken: één stap vooruit en twee achteruit. Wil men nu echt een huwelijk redden door een scheidingsaanvraag uit te lokken?
Met het Europese voorzitterschap in het vooruitzicht lijken nieuwe verkiezingen niet aangewezen. Men zal hoe dan ook terug aan tafel moeten onder leiding van de huidige premier en verder zoeken naar een compromis. Binnen een week kan de situatie al weer gekeerd zijn. Dan zal iedereen met de bloemen willen gaan lopen: Open VLD heeft getoond dat het menens was, ondanks een compromis gaan de Franstalige partijen hun tanden en vastberadenheid hebben getoond. Of gaan we toch de dieperik in? Het worden spannende dagen. Eén ding is echter zeker: we zitten op een kantelpunt in ons federaal model. Als nu geen vergelijk kan worden gevonden, dan wordt het ongeloofwaardig om aan deze federatie een stabiele en aantrekkelijke toekomst te geven. De heer Reynders en mevrouw Milquet mogen dat grondig in hun oren knopen. En Open VLD en haar voorzitter? We kunnen hen wel tot nederigheid aanmanen, maar dat heeft nog nooit een bevredigend resultaat opgeleverd.
Of was het toch nog weer een nieuwe episode Tsjevenpesten? Wees gerust, ik heb ondertussen een olifantenvel…
Tags: alexander de croo, cd&v, cdH, didier reynders, elio di rupo, jean-luc dehaene, joëlle milquet, laurette onkelinx, open vld, paul de grauwe, processie van echternach, PS, Vincent Van Quickenborne, VLD, yves leterme
Frieda Van Wijck vroeg zich enkele jaren geleden tijdens een quiz terecht af wat je met een open geest in een donkere steeg bent. Het komt er op aan om in elke situatie over de juiste instrumenten te beschikken. Of een vorm van ruimdenkendheid u bij valavond tegen een gewisse aanranding beschermt laten we in het midden, maar het is alvast een onontbeerlijke atout als je Duitsland wil bezoeken. Om het land als neutrale toeschouwer te appreciëren is een inspanning nodig. Openheid komt van pas bij een visite aan de stad met de extreem tot de verbeelding sprekende naam Düsseldorf. Jawel.
De hoofdstad van Noordrijn-Westfalen ligt nog net ten westen van het Ruhrgebied, maar is zelf omringd door grote bedrijvigheid. De streek straalt dynamiek en ijver uit; de vele autosnelwegen moeten duizenden vrachtwagens dag in dag uit naar hun bestemming brengen. Ook de doorsnee chauffeur kan er zijn hartje ophalen. Hier mag men alle remmen losgooien. Zolang je beheerst met hoge snelheden omgaat mag het opheffen van een snelheidslimiet geen extra gevaar opleveren. De Duitsers leggen alvast discipline aan de dag. Het tegendeel zou ons verwonderen. Als de wet beveelt dat er maximum negentig per uur mag worden gereden, dan zal de oosterbuur gedwee het rempedaal indrukken. Dergelijk ordentelijk gedrag doet ons tegelijk vermoeden dat ongelimiteerde snelheden in België moeilijk te implementeren zijn. Aangeboren lak aan gezag kan bij dit soort fenomenen tot enorme drama’s leiden. Desalniettemin rij je al heel snel het dorp aan de Düssel binnen, maar die rivier verbleekt bij het debiet van de Rijn.
Ondanks het op het eerste zicht anonieme imago staat Düsseldorf bij de ingewijde bekend als een hippe en chique stad. Al een tijdje overigens, want toen Napoleon hier tijdens één van zijn strooptochten langskwam had de man het over un petit Paris. De Königsallee met de Champs-Elysées vergelijken is heiligschennis, maar de laan mag er best zijn. Kleinschaliger en minder iconisch uiteraard, maar de boetieken aan weerszijden van de tweeëntachtig meter brede boulevard kunnen de concurrentie met de Parijse evenknie aan. Het rollend materieel dat de Kö siert overtreft de lichtstad ruimschoots. Veel prestigieuzer is in dit land niet te vinden en dat zegt veel over de status van Düsseldorf in Duitsland. Hier zitten centen. Düsseldorf als geheel écht met Parijs vergelijken is er dan weer heel ver over.
Over het algemeen bevatten Duitse steden heel wat groen. Ten oosten van de Heinrich Heine-Allee – Düsseldorf’s bekendste zoon – is de grote Hofgarten een andere poging om de stad standing te geven. De oorspronkelijke versie dateert uit het einde van de achttiende eeuw, maar werd niet veel later door diezelfde Napoleon verder uitgebreid. Rondomrond spreidt Düsseldorf zijn cultureel patrimonium tentoon. In de Kunsthalle worden high profile-tentoonstellingen met moderne kunst georganiseerd, terwijl het Kunstverein, dat er ook gevestigd is, minder bekende goden in de kijker zet. De K20 Kunstsammlung Nordrhein-Westphalen doet er nog een schepje bovenop, terwijl liefhebbers van het klassiekere werk in het Goethemuseum hun hartje kunnen ophalen.
De mooie promenade voor het museum is overigens voorzien van zitbanken die uit TL-lampen zijn vervaardigd. Het past in het artistieke kader. Osram heeft hier gouden zaken gedaan; bij nachte moet dit vuurwerk geven.

Midden in het park etaleert een andere pion de voorspoed van Düsseldorf. Thyssen-Krupp heeft hier in een schitterende wolkenkrabber haar hoofdkwartier neergepoot. Het gebouw bestaat uit drie aparte delen die voor en naast elkaar zijn gepositioneerd. Het is haast onmogelijk om de totale constructie in één shot te vereeuwigen. Grijs, dat wel, maar knap grijs.
Moderne architectuur is vandaag de dag meer het ding waarop Düsseldorf zich profileert. De Medienhafen – een oud dok langs de Rijn – is een mooi voorbeeld van stadsontwikkeling. Dit lijkt wel het tegengestelde van grijs en blok: kleurrijke gebouwen wisselen af met de zilver en witte rondingen van Franky Gehry’s Neuer Zollhof. Het is geen steriele kantoorzone, maar een harmonisch geheel van rationele stadsplanning en originele afwerking dat resulteert in de reanimatie van een verloren gewaand stadsdeel. De oude dokken waren vroeger van de stad afgescheiden door een drukke en vervuilende autoweg, maar nu alle verkeer naar de ondergrond is verwezen bloeit deze buurt weer op. Niet alleen overdag overigens, want dit is ook ‘s avonds en ‘s nachts een hip kwartier geworden. Creativiteit loont.
De 168 meter hoge TV Turm overschouwt de Medienhafen en bij uitbreiding de ganse stad. Uitkijkpunten zijn altijd aangenaam om een zicht op de ganse streek te hebben. Zo krijg je een idee van wat er in de directe omgeving van het centrum te zien is. Kilometers buitenwijken worden afgewisseld met industriële polen. De Altstadt en de buurt van de Kö worden tot ware proporties herleid. Dat rijke Düsseldorf is omzoomd met een brede buffer van middenklassewoningen en blokkendozen. Ze scheiden de stad van het embryonale Ruhrgebied.
De overkant van de meanderende Rijn lijkt dan weer een stuk exclusiever, maar die buurt wordt op de hielen gezeten door de grote luchthaven van de stad. Heel in de verte zien we – al is hiervoor een koen oog vereist – de twin towers van de Dom van Keulen, terwijl in de schaduw van de Turm de bizarre vorm van het parlement van Noordrijn-Westfalen te vinden is. Op de grond merk je daar weinig van, maar vanuit de lucht is het een ingenieuze constructie. Ondanks het feit dat Düsseldorf een typisch Duitse grootstad is kan ze met haar moderne architectuur een nieuw publiek aanboren.
Dat jonge publiek is dan wel van een heel diverse pluimage. In de Altstadt mixen bobo’s en yuppies zich met een, tja, minder exclusief volk. Het leek wel alsof Tokio Hotel in town was. Een onuitputtelijke stroom would-be gothics trok op met neo-gabbers en snotneuzen die een oom met punkerverleden hebben. De processie van de wansmaak trok die namiddag door het al bij al kleine historische centrum van Düsseldorf. Marginaliteit troef. De beau monde van de Königsallee leken plots wel heel ver weg. Dit was niet meer om aan te zien. De dames en heren hadden de gemiddelde leeftijd van vijftien lentes bereikt. Wellicht was het van voorbijgaande aard – een deel van hen worden burgerlijke Duitsers met BMW – maar het trieste vertoon was weinig appetijtelijk. De Altstadt bezoekt u best niet op zaterdagnamiddag. Je moet het patrimonium immers met iedereen delen.
Had Napoleon het dan niet bij het rechte eind? We moeten ons behoeden voor anachronismen. Ons beeld van Parijs en Düsseldorf anno 2010 komt niet overeen met hoe het twee eeuwen geleden in realiteit was. Maar toch: ondanks het verdienstelijke Düsseldorf liggen beide steden mijlenver uit elkaar. Ce n’est pas Paris quand même.
Tags: düsseldorf, duitsland, noordrijn-westfalen, tokio hotel
De misleidend lage prijzen van Ryanair maken het o zo verleidelijk om de ene citytrip na de andere te maken. Voeg daarbij een aantal enthousiastelingen en je krijgt een dodelijke cocktail: voor de tweede keer in een maand tijd zetten we koers naar het verrassende Scandinavië. Misleidend, inderdaad, want de vlucht naar Stockholm Skavsta – in feite de luchthaven van Nyköping – kwam alles bij elkaar genomen even duur uit als een Zaventemse trip naar Arlanda, de voornaamste luchthaven van de Zweedse hoofdstad. Of erger: met de astronomisch hoge bedragen om in Charleroi te parkeren werd de tocht van low cost naar high cost geconverteerd. Het Charleroi-gebeuren is bedrieglijker dan u denkt. Zolang er geen efficiënte treinverbinding tussen Gosselies en de rest van de wereld is blijft het financieel voordeel van het vliegen vanuit de metropool van de Borinage beperkt. We hadden beter wat grondiger nagedacht vooraleer de luchtvaartmaatschappij te kiezen. U weze bij deze gewaarschuwd, al moet het gezegd dat de connectie tussen Nyköping en hartje Stockholm vlot geregeld is. We hadden de Scandinavische efficiëntie al in Oslo mogen ervaren. De Zweden bevestigden dit.
Stockholm is aan het water gelegen en bestaat uit diverse eilanden en eilandjes die door bruggen en ferry’s met elkaar zijn verbonden. De stad heeft van de scheepvaart haar dada gemaakt. Veel, maar uiteraard niet alles, draait rond het water. Toch is het een element dat de stad haar typische structuur geeft. We onderscheiden een aantal kwartieren: Gamla Stan, het centrale eiland en historische centrum; Centrum vormt het noordelijke en nieuwe gedeelte van de stad, terwijl Södermalm in het zuiden een ander idee geeft van het moderne Zweden. De (schier)eilanden Blasieholmen, Skeppsholmen en Djurgarden in het oosten zijn het sluitstuk van het gedeelte van de stad dat we bezoeken. Blasieholmen en Skeppsholmen huisvesten een aantal musea terwijl Djurgarden een park en, voor wie hier tuk op is, een omvangrijke zoo omvat, maar het spreekt voor zich dat wij in het koudere Zweden niet op zoek zijn naar tropisch vee.
Gamla Stan is niet bijzonder groot, maar maakt de bezoeker meteen duidelijk dat hier écht wel iets te zien is. Aan het koninklijk paleis – het Kungliga Slottet – is de zaterdagse wisseling van de wacht weliswaar mooi en trekt het militair vertoon heel wat kijklustigen, maar het is vooral entertainment waar u als toerist weinig aan hebt. Het zou ietwat ongepast zijn om een eerbetoon aan de grote Zweedse natie te vergelijken met de parade van Sneeuwwitje in Disneyland. Soms moet je shockeren om de aanbidders van voorbijgestreefde folklore met beide voeten op de grond te zetten. Voor dit soort toerist willen wij niet versleten worden.
Het Zweedse parlement – het Riksdagshuset – is des te interessanter. Op een ordinaire zaterdag kunt u er uitgebreid kennis maken met de Zweedse democratie. Hoewel elk parlement in de westerse wereld grotendeels dezelfde elementen bevat hebben ze elk hun particulariteiten. Plenaire zalen, patio’s en commissiezalen vinden we ook in ons Paleis der Natie, maar het waren vooral de politieke gebruiken in Zweden die onze aandacht trokken. Onze uitmuntende gids, een viking met halflang grijs haar, liep hoog op met het Zweedse streven naar transparantie. Het publiek – de inwoners van dit land – kan alle briefwisseling van de uitvoerende macht, net aan de overkant van de gracht, inkijken nog voor de regering de enveloppe opent. Of het er ook in de praktijk zo open en bloot aan toe gaat blijft een open vraag, maar men is hier blijkbaar wel in staat om op een geloofwaardige manier ten minste de schijn van complete transparantie te geven. Een ander fundamenteel verschil betreft de verloning van de soevereine volkswil en de samenstelling van het parlement. Tussen de vijfhonderdtal volksvertegenwoordigers bevinden zich hoogstens een handvol juristen. De parlementaire wedde is in vergelijking met de advocatuur of de private sector relatief laag en, aldus onze gids, bijgevolg kiezen ze zelden voor een politieke carrière. Mensen van ander allooi vullen het halfrond. Dit métier is vooral populair bij leerkrachten én verplegers of verpleegsters. Jawel. Of het mindere verschil qua verloning hier voor iets tussen zit kunnen we niet met zekerheid stellen, maar het doorsnee parlementslid heeft toch wel een ander profiel als bij ons. Bovendien, als het parlement in reces gaat, neemt men de oude taak weer op. Zo keren sommige verpleger-parlementsleden in de zomermaanden eventjes terug naar de ziekenhuisgangen.
Op de werkvloer wordt enkel het Zweeds gebezigd, maar desalniettemin heeft het land zes officiële talen. Naast het Zweeds kregen ook het Sami (de taal van de Lappen), het Fins, het Meänkieli, het Romani én het Jiddisch een officiële erkenning. Bovendien heeft de gebarentaal een speciale status. Opnieuw moet onderzoek uitmaken in hoeverre deze openheid zich ook in de werkelijke wereld realiseert. Toch zijn er in Zweden een aantal markante fenomenen waarmee men zich van de buitenwereld wil onderscheiden.
Gamla Stan heeft niet alleen officiële gebouwen en pittoreske straatjes. Een aantal religieuze gebouwen domineren de skyline van het eiland. Het belang van de Storkyrkan – de kathedraal van Stockholm – is moeilijk te overschatten. Van hieruit verspreidde Olaus Petri de boodschap van Luther over het ganse koninkrijk. Dat werd uiteindelijk de Svenska kyrkan, een staatsgodsdienst. Je liep maar best recht in het lijntje, want andere godsdiensten waren tot op het einde van achttiende eeuw verboden. Het duurde zelfs tot 1860 voordat je je tot een andere godsdienst kon bekeren. Aan dat kunnen hing dan weer een moeten vast: je moest je na het afscheid van de Svenska kyrkan effectief tot een andere confessie wenden. Atheïsten kregen het in Zweden dus hard te verduren, want het is pas sinds 1951 dat je je straffeloos buiten elke godsdienst kon plaatsen. In België hadden vrouwen eerder stemrecht dan dat mannen zich in het transparante Zweden openlijk als atheïst pur sang konden profileren.
De Tyska Kyrkan – de Duitse kerk – herinnert aan de periode waarin de invloed van de gelijknamige Europeanen op Stockholm bijzonder groot was. In de vijftiende eeuw had de Hanze – een groot handelsnetwerk in Noord-Oost-Europa – een haast totale controle over de havens aan de Oostzee. Lübeck, de rijke Duitse Hanzestad, was één van de steden die voor Stockholm’s welvaart zorgden en haar centrum stond overigens model voor de indeling van Gamla Stan. Vandaag telt deze Duitse kerkgemeente in de Zweedse hoofdstad nog een tweeduizendtal leden.
Het Stortorget, het centrale plein van Gamla Stan, wordt gedomineerd door de beurs. In 1990 hield alle financiële activiteit hier op te bestaan en vond de Zweedse Academie op de bovenverdieping haar stek, terwijl het Nobelmuseet de onderste in beslag neemt. U kunt er de geschiedenis van de gelijknamige prijs bewonderen, maar ze worden hier niet uitgereikt. Zoals we vorige maand al konden zien krijgt de laureaat van de vredesprijs de onderscheiding in het stadhuis van Oslo toegekend. De andere decoraties en de diners vinden plaats in het stadhuis van de Zweedse hoofdstad.
Aan de overkant van het water, ten zuiden van Gamla Stan, start Södermalm met een wel erg rare constructie, Slussen. Waar ooit een oude sluis alle waterverkeer richting de Oostzee in goede banen moest leiden staat nu een brug en een ietwat vreemd mini-klaverblad. Het kwam er in 1935; in de ruimtes tussen een smalle verbindingsbocht staat voorwaar een rond paviljoen. Het bleek de mobiliteitsproblemen op die plaats de baas te kunnen. Toen reed men in Zweden nog, zoals in Groot-Brittannië, links. In 1967, van de ene dag op de andere, werd men hier verplicht om zich te continentaliseren. Rechts rijden was voortaan de boodschap. Tot grote verbazing van velen kon het klaverblad van Slussen deze transitie probleemloos aan. Merkwaardig, maar na al die jaren zou een grondige opknapbeurt geen overbodige luxe zijn. Hetzelfde geldt overigens voor de grote lift aan het plein, die enigszins Eiffel’s elevador in Lisboa wil imiteren. Het is maar een flauw afkooksel.
In Södermalm zijn een aantal leuke cocktail- en bierbars, maar uiteindelijk mist dit stadsgedeelte karakter. Gamla Stan lijkt plots wel heel ver weg. Een ordinair Amerikaans steakhouse is zowat het enige deftige restaurant waar we onze honger kunnen stillen. We maken niet graag karikaturen van dierbare mensen, maar hier krioelde het opnieuw van échte vikings: kloeke blonde heren met een gestreken gezicht die eentonig haast dierlijke geluiden produceerden. Tussendoor werden de grote steaks aan een hoog tempo verorberd. Het boezemde ons wat schrik in: je weet maar nooit wanneer ze hun hakbijl zouden bovenhalen.
Terwijl Gamla Stan voor toeristen de facto het centrum is heet het kwartier ten noorden van het eiland ook Centrum. Vanaf het tweede deel van de achttiende eeuw werd Stockholm ook in die richting uitgebreid. Vandaag de dag heeft het een duale identiteit: enerzijds zijn er een aantal karaktervolle pleinen en wijken, maar het andere gedeelte blinkt uit in een weinig elegante anonimiteit. Rond de Gustav Adolfs Torg, recht tegenover het parlement en het koninklijk paleis op Gamla Stan, is het ministerie van buitenlandse zaken gevestigd in het statige Arvfurstens Palats, een schoolvoorbeeld van de zogenaamde Gustaafstijl. Ook de belendende percelen langs de Strömgatan huisvesten regeringsorganen en vormen samen het Rosenbadcomplex, waarvan één van de kantoren de lokale Zestien is. Het is alvast een meer lyrische naam om de ambtswoning van de eerste minister te benoemen: het was vroeger een badhuis waar je, toepasselijk, een rozenbad kon nemen. De Zweden mogen dan al een koel imago hebben, de namen van hun instellingen geven hen wel een gecultiveerd cachet. Ook de Kungsträdgarden, de vroegere moestuin van de koning, bezit stijl en charme en is een ruim plein met mooie, maar, zoals op zoveel plaatsen in Scandinavië, vooral dure terrasjes.
Onmiddellijk achter dat vele schoon begint de anonimiteit. De buurt van het centraal station heeft een aantal flinke winkelcentra, maar het zijn voornamelijk gebouwen uit de tweede helft van de twintigste eeuw die eerder utilitair dan esthetisch waardevol te noemen zijn. Een aantal grijze boulevards komen op Sergels Torg samen, waar een glazen obelisk al sinds het jaar des Heren 1972 voor wat afwisseling moet zorgen, maar de Zweden slaan de bal hier wat mis. Alles heeft er zijn plaats en het lijkt een buurt te zijn die zijn functie – shoppen – efficiënt vervult, maar er is bij de inrichting weinig creativiteit aan te pas gekomen. Gelukkig wordt Sergels Torg ‘s avonds mooi verlicht en kunnen de hongerigen zich er in de laatste geopende McDonalds te goed doen aan urban meals. Ook hier viert het fastfood een hoogmis, al moet het gezegd dat de gele M veel dominanter aanwezig is dan onze geliefde Burger King. Bovendien domineert hier een tegenhanger van Starbucks de koffiehuizenmarkt: Wayne’s Coffee. Geen grande vanilla latte’s in Stockholm. Spijtig.
We mogen dit stadsgedeelte echter geen onrecht aandoen. Dit is de Noordwijk niet. Tussen de blokkendozen zitten ook een aantal meer inspiratievolle moderne artefacten, waarvan de Kungstornen een goed voorbeeld zijn. Deze twin towers sieren Kungsgatan, een nieuwe grote avenue die in pure Amerikaanse stijl het ene stadsgedeelte (Hötorget) met het andere (Stureplan) moest verbinden. In beide torens zaten ooit restaurants, maar over het algemeen deden ze als kantoorgebouw dienst. De linkse toren wordt door de locals de man genoemd, terwijl de rechtse als vrouw door het leven gaat. Twee blokken verder, parallel aan de Kungsgatan, bevindt zich de Olof Palmes Gata. In 1986 werd hier de toenmalige eerste minister vermoord toen hij van een avondje cinema terug naar huis wandelde. De moord werd nooit opgehelderd.
Stureplan, de wijk waar Kungsgatan naar leidt, is gekend als het duurdere maar ook hippe Stockholm. Het wemelt er van chique bars en prijzige restaurants. In één van die bars meenden we Hans Blix te herkennen, de voormalige minister van buitenlandse zaken én de man die moest zoeken naar de vermeende weapons of mass destruction in Irak. We waren iets te enthousiast over de gebeurlijke Zweed, maar het was nog maar eens een indicatie dat Stureplan voor de beau monde de place to be is. Enkele bescheiden videowalls aan de muren van het plein verklappen dat men hier misschien heimelijk met het idee speelt om er een lokaal Times Square van te maken, maar daarvoor zal men nog wat boterhammetjes moeten eten. De paddenstoel in het midden van het plein – niet meer dan een afdak voor een verdwaalde openbare telefoon – is een betere gimmick om Stureplan op de wereldkaart te zetten.
Naar het noorden van de stad toe ligt in het park Humlegarden de Kungliga Biblioteket (Koninklijke Bibliotheek). Van alles wat in dit land verschijnt moet al sinds 1661 één exemplaar naar deze bibliotheek worden verscheept, zelfs al waren er toen in Zweden nog maar drie drukpersen. De collectie groeit elk jaar met 35.000 volumes aan; sinds 1993 worden ook elektronische publicaties bijgehouden. Dit is letterlijk het geheugen van de natie. Via de Östermalmshallen, een gezellig overdekt marktje, kan je terugkeren naar het Kungliga Dramatiska Teatern, een jugendstil-schouwburg. Op de trappen van het gebouw rusten vele blonde inwoners en inwoonsters van dit land uit in een pril lentezonnetje.
Een gunstige wind bracht ons voor een noenmaal in het Grand Hôtel, het meest chique in zijn soort in deze stad. Elk jaar logeren hier de Nobelprijswinnaars. Het visbuffet is meer dan voortreffelijk te noemen. De zalm is impeccable, de bijhorende akvavit zorgt er voor dat uitbundige lui een gezang zouden aanheffen. Dat zijn de keurige heren en dames in Zweden echter allerminst, zodat we in het Grand Hôtel een statige paasmaandagmiddag konden doorbrengen. Fijnproevers kunnen in dit stadsgedeelte wel degelijk aan hun trekken komen, al is daar een budget voor vereist. Om het kronenverbruik niet te laten escaleren moet u hier stevig uit de doppen kijken.
De kleine (schier)eilandtweeling Blasieholmen en Skeppsholmen herbergen een aantal interessante musea. Het negentiende-eeuwse Nationalmuseum bezit een gigantische collectie kunstwerken uit de voorbije vijfhonderd jaar. Op het moment van ons bezoek was er bovendien een grote tentoonstelling met werken van Rubens en Van Dyck. Skeppsholmen, dat via een kleine brug met Blasieholmen is verbonden, huisvest dan weer het Moderna Museet, dat pas in 1998, toen Stockholm de Culturele Hoofdstad van Europa was, werd geopend. Het Arkitekturmuseet brengt de Zweedse architectuurgeschiedenis in beeld.
Vijfenveertig seconden ferry brengen u vanuit Skeppsholmen bij hét pronkstuk van deze stad. In het Vasamuseet liggen de restanten van de Vasa, het prestigieuze koninklijke oorlogsschip dat het welgeteld 1300 meter uithield. Op 10 augustus 1628 kapseisde de Vasa en sleurde meteen 50 opvarenden de dood in. Het doet een beetje aan de Herald of Free Enterprise denken: via de poorten voor de kanonnen kwam er water in het schip binnen, met de bekende gevolgen. De toekijkende menigte, waaronder heel wat buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders, konden alleen maar akte nemen van het drama. Pas in 1956 werd het schip teruggevonden, gelicht en na zeventien jaar restaureren in 1990 in een modern museum geplaatst.
Twee en een halve dag Stockholm aan een gezapig tempo zijn zeker niet voldoende om de stad grondig te bezoeken. Er blijven nog te veel musea over om een volgende keer te inspecteren. Ook de gebieden rondom de stad, zoals het kasteel van Drottningholm en de eilandjes in het oosten kunnen u enkele dagen zoet houden. U kunt hier zeker een midweek vullen. Stockholm is geen wereldstad, maar wel een mooie hoofdstad van een interessant land met een rijk erfgoed. De combinatie van een uitgebreid historisch patrimonium en een maritieme cultuur zorgen er voor dat u zich in Stockholm niet verveelt. Bovendien leert een bezoek aan Scandinavië dat dit een wel heel apart stukje Europa is waar men een bewonderenswaardige levenswijze hanteert. Een heel klein beetje een andere wereld…
Tags: akvavit, blasieholmen, djurgarden, gamla stan, grand hôtel, olof palme, södermalm, skeppsholmen, stockholm, stureplan, vasa, vasamuseet, zweden
Een tijdje geleden kreeg ik naar mijn werkadres een toch wel vreemde enveloppe toegestuurd. Men dacht klaarblijkelijk mijn ego te strelen door Professor Peter Aspeslagh aan te schrijven. De omslag was afkomstig van C.I.M.S. Corporation uit Alexandrië in Egypte. Omdat mijn connecties in het land van de piramides niet zo talrijk zijn kwam de afzender mij onbekend voor. Binnenin zat een mapje op A5-formaat met daarin een begeleidende brief en een klein boekje met de niet verkeerd te begrijpen titel Muhammad, le Messager d’Allah, dat toch wel 94 pagina’s telde. Het bleek dus geen reclame voor een cruise op de Nijl of een collectie model-piramides. Een licht gevoel van ontgoocheling maakte zich van mij meester.
De begeleidende brief schakelde over naar het Engels en vertelde meteen waarover het ging: Learn about Islam. Men stelde mij voor om een ontdekkingstocht te ondernemen: “Discover the Authentic Unchanged Word of God. Read the Book that Jesus (Peace be Upon him) gave good tidings of, The Quran”. Met de vermelding van die andere profeet gebruikte men alvast een gezagsargument, want de afzender ging er wellicht van uit dat de bestemmeling een godvrezend subject is. Jammer, maar helaas. Men slaat in dit geval de bal mis.
Deze handleiding is ondertekend door een zekere Dr. Mohamad Sabry Oraby. De man is open en bloot over de manier waarop zijn organisatie mij vond: “We obtained your info from the internet, and we are only sending you this one simple letter to shed some light on the Great Religion of all the Prophets.” Men klopt in Alexandrië dus overuren. Een ijverige bediende die het Engels en/of Frans machtig is pluist wellicht het ganse internet af op zoek naar websites van universiteiten om elk personeelslid één na één aan te schrijven. Het complete organigram van de K.U.Leuven doorlopen neemt toch wel een tijdje in beslag. Aangezien sommige collega’s eenzelfde pakketje ontvangen hebben is het niet ondenkbeeldig dat men dit effectief heeft gedaan. Ik kan maar hopen dat de persoon in kwestie hiervoor een aanvaardbaar loon ontvangt, al is het niet evident om het Hogere Doel te kwantificeren.
Op het mapje wordt alles nog eens duidelijk in kleur in de verf gezet. Men schakelt weer over op het Frans: “Êtes-vous en recherche du bonheur, du succès, de la sécurité et de la paix intérieure? Aimeriez-vous savoir pourquoi sommes-nous créés et quel est le but de notre vie? Savez-vous que notre vie terrestre est une épreuve et que tout ce que nous faisons dans cette existence, de bien ou de mal, déterminera la valeur de nos mérites dans une vie future? Voici un message d’amitié à toute personne en recherche de la Vérité.”. Meteen wordt duidelijk waarom universiteiten hun favoriete doelgroep zijn. Waar naar waarheid en bewijs wordt gestreefd, waar geïnnoveerd en onderwezen wordt, daar kan de organisatie van Dr. Sabry Oraby van dienst zijn. Ze zeggen dan ook zonder verpinken wat die waarheid is: “Bref, pour ne pas perdre votre salut dans le monde d’ici-bas et dans l’au-delà, soumettez-vous à Dieu, embrassez la Véritable Religion: “l’Islam”, et prononcez ces mots rayonnants qui vous ouvriront la voie du Salut.”. Ik moet me dus bekeren tot de Islam als ik mijn heil niet wil verliezen. Dat advies is uiteraard vrijblijvend. Ik neem aan dat men mij niet manu militari zal dwingen om geloftes af te leggen, maar we krijgen alvast een duidelijk signaal.
Wie of wat zit achter die direct mailing? Er wordt, zij het in piepkleine letters, verwezen naar www.islamic-message.net. Meteen wordt duidelijk wat met C.I.M.S., het vierletterwoord op de enveloppe, wordt bedoeld. Conveying Islamic Message Society “is an extension for the activity of Conveying Islamic Center, Which was established in 1929 by Eng. Muhamed Tawfik Ahmed (may Allah have mercy upon him). Conveying Islamic Center Kept spreading Islam with wisdom and beautiful preaching all around the world throughout a period of 60 years causing thousands of different nationalities to convert to Islam. The Conveying Islamic Message Society was established in 1974, It is licensed by the Ministry of Social Affairs in Egypt under the registration number 536 playing the same role as the Conveying Islamic Center Concerning acquainting the world with Islam’s principles through books and pamphlets in different languages and answering Islamic questions and inquires with the help of the scholars of Al-Azhar. “ De religie verricht duidelijk wonderen. Als letterlijk duizenden nationaliteiten zich bekeerden, dan moet er wel iets waar zijn van dat verhaal van de wonderbaarlijke vermenigvuldiging van brood en vis. Die historie is in deze context immers geldig, aangezien Jezus een boodschapper van Allah was. Onze held mag dus ook meespelen.
De website is een ware bron van documentatie voor de geïnteresseerde. Je kan er alles wat nodig is downloaden. Bovendien wil men hiermee enkele misvattingen de wereld uit helpen. Onder de titel “Misconceptions” vonden we volgende tekst: “Have you ever wondered why a nun can be covered from head to toe and she’s respected for devoting herself to God, but when a Muslim woman covers, she’s viewed as “oppressed”? Or why a Jew can grow a beard and he’s just practicing his faith, and when a Muslim does that, he’s an “extremist”? People in the west seem to have many misconceptions about Muslims and Islam. Many believe that the western world is advanced, enlightened and liberated, while Islam is just the opposite: primitive, ignorant and oppressed. One reason for this belief is that the media has time and again portrayed the Muslims in a way contrary to Islamic teachings. The key to understanding Islam and Muslims is to resist stereotypes and examine each situation according to Islamic teachings, and NOT some Muslims’ actions. “ De media, meneer. Men doet alvast een poging om clichés uit de wereld te helpen en dat is altijd een bonus. Goede wil moet van twee kanten komen. Ook over de plaats van de vrouw in de Islam zorgt men voor verduidelijking. Een aantal traktaten zijn vrij te downloaden, anderen kunt u gratis toegestuurd krijgen. Gelimiteerd tot drie per maand en u mag niet in Saudi Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Pakistan, Afghanistan, Iran of Irak wonen. Wellicht zijn de werken daar in de lokale boekhandel uitgebreid aanwezig; men moet zich niet overbodig in de kosten jagen.
Extra documentatie vind je ook in het toegestuurde boekje, Muhammad, le Messager d’Allah, geschreven door Abudrahman Abdulkarim Al-Sheha. Alles over de Islam wordt er van naaldje tot draadje uitgelegd. Genealogen worden verwend met de stamboom van Mohamed. We leren bij over zijn kindertijd. Zijn morele waarden worden in vierendertig punten uit de doeken gedaan. Idem voor zijn matrimoniale geschiedenis: we lezen dat Mohamed na het overlijden van zijn eerste vrouw, Khadidja, elf andere vrouwen tot zijn wettige echtgenote heeft genomen. Omdat polygamie in onze maatschappij doorgaans niet de gewoonte is worden de redenen voor dit samengesteld gezin opgegeven. Ten slotte moeten ultieme gezagsargumenten ons definitief de knoop doen doorhakken. Goethe heeft immers gezegd dat “J’ai cherché dans toute l’histoire un modèle d’homme parfait et je l’ai trouvé chez le Prophète arabe Muhammad.”
Wat moeten we hier nu allemaal van denken? Zit hier iets malafide achter? Is dit agressieve missionering of een vredelievende introductie in een onbekende religie? Het is onmogelijk om de achtergrond van C.I.M.S. te checken, maar écht veel redenen om argwanend te zijn heb ik niet. Islam direct mail is niet gebruikelijk en in het gegeven klimaat ook niet populair. Ik kan hierdoor hoogstens geïrriteerd zijn, maar dat geldt voor alle vormen van reclame of propaganda. Voor de rest heb ik geen enkele reden om mij druk te maken. Integendeel: ik heb iets bijgeleerd en had stof voor een artikel op peteraspeslagh.be. Bovendien was de documentatie degelijker dan wat de collega’s van Christus van Huis tot Huis verdeelden. Ietwat tolerantie kan geen kwaad, maar men moet mij nu niet elke week zo’n epistel toesturen.
Mocht u interesse hebben, één adres: Société de la Transmission “Tabligh” de l’Islam, B.P. 834, Alexandrie, Egypte (www.islamic-message.net); op een mail naar Truthseekers@ymail.com krijgt u wellicht binnen het uur een reactie. Ik wou u dit niet onthouden.
Enne… toch bedankt om mij met professor aan te spreken.
Uiteraard zitten we zondag met z’n allen voor de buis om de start van het nieuwe F1-seizoen live mee te maken. Traditiegetrouw maak ik ook dit jaar een voorbeschouwing, maar evenzeer zullen de heren wellicht ook nu weer voor een andere eindafrekening zorgen. Dat hopen we alvast; de sport is het aan zichzelf verplicht. De jaren dat Michael Schumacher zonder noemenswaardige tegenstand naar zijn n-de titel reed lijken voorbij te zijn. Inderdaad: ze lijken voorbij te zijn, want de Duitser is terug. Een herhaling van 2002 en 2004, de jaren waarin zijn dominantie absoluut was, zit er niet meteen aan te komen, maar met hem weet je nooit.
Het gaat om heren die om de felbegeerde wereldtitel strijden. Dames hebben hun weg naar de koninginneklasse nog niet gevonden en dat is jammer. In de Amerikaanse tegenhanger, de Indycar, staan dit jaar telkens drie vrouwen aan de start. Eén van hen, de fantastische Danica Patrick, is een ware superster. Ze won als eerste dame een ‘major race’ op een circuit – de Indycarrace in Motegi (Japan) in 2008 – en verdeelt ondertussen haar tijd tussen Indycars en het nog populairdere oer-Amerikaanse Nascar. Even werd geprobeerd om haar naar de Formule 1 te halen, maar het is een All-American Girl. Ze zal de home soil wellicht niet verlaten voor een avontuur waarvan je de gevolgen nauwelijks kan inschatten. Misschien maar goed ook, want de politics van de Formule 1 kunnen carrières kraken. De Amerikanen spelen liever een thuismatch. Als het eventjes kan gaat het er gemoedelijk aan toe. Take it easy. Dat is in de Formule 1 ondenkbaar. Om de Amerikaanse harten te heroveren zal er véél moeten veranderen, maar zo ziet het er in de verste verte niet naar uit. De afwezigheid van de States vormen desalniettemin een smet op het blazoen van een kampioenschap dat met het prefix “wereld” door het leven wil gaan.
In 2009 was er al veel veranderd. De wagens kregen een grondige facelift. Ze werden aartslelijk – de kleine achtervleugel en grote voorvleugel zijn ronduit afschuwelijk – en moesten voor meer spektakel zorgen. De slicks maakten een gelukkige comeback. Eén van de constructeurs, Honda, had de sport al verlaten en werd te elfder ure door meesterstrateeg Ross Brawn opgekocht. Tegen alle verwachtingen in had zijn nieuwe team – ach neen, het oude Honda met een nieuwe naam en motor – een verdomd goede wagen gebouwd die uiteindelijk de sterkste bleek te zijn. De ‘natuurlijke orde’ werd doorprikt. Niet McLaren, Ferrari, Renault of Williams gingen met de bloemen lopen, maar Brawn GP én het verbazende Red Bull namen met graagte de trofees in ontvangst. Naast het wonder uit Brackley was het Brits-Oostenrijkse Red Bull met haar Renault-motor op heel wat circuits de allerbeste. De jonge Sebastian Vettel werd vice-wereldkampioen en zijn ervaren teamgenoot Mark Webber scoorde twee overwinningen. Een aangename verrassing. Het was eens wat anders. Jenson Button werd wereldkampioen, met dank aan de omstandigheden. Neen, ik heb het niet voor de Brit. Een goede coureur, dat zeker, maar het is geen Lewis Hamilton of Fernando Alonso. In de situatie waarin we vorig jaar terecht gekomen waren konden naast twee voornoemde klasbakken zowel Robert Kubica, Sebastian Vettel, Kimi Raikkonen als Felipe Massa met de eer zijn gaan lopen. Button had geluk: hij had de juiste wagen, werkte hard en kreeg een plaats in de geschiedenisboeken. Hij deed zijn verdomde plicht en het is hem gegund. Good, maar niet great. Het zal hem een worst wezen.
Was 2009 anders dan anders, dan wordt 2010 nog veel en veel anderser. Dit keer heeft het arsenaal aan teams een grondige metamorfose ondergaan. Nooit eerder waren er zo’n ingrijpende veranderingen. In de eerste plaats komen er dit jaar méér teams aan de start. De nieuwe Concorde-akkoorden deden de benodigde budgetten dalen en het opstarten van een Formule 1-team werd blijkbaar voor velen als een goede investering aanzien. Drie nieuwelingen kregen toestemming om vanaf 2010 in het circus te figureren: USF1, dat een poging ondernam om de States toch weer wat F1-glorie te geven, Campos Meta, een Spaans initiatief onder leiding van ex-coureur Adrian Campos, en Manor Grand Prix, een Brits team uit lagere rangen dat de sprong naar de top ging wagen. Het establishment nam van in den beginne een kritische houding aan tegenover de hele operatie. Cynisme is het Formule 1-circus niet vreemd, maar de uitbreiding van de grid werd door de gevestigde orde met weinig enthousiasme onthaald. Ze hadden niet helemaal ongelijk.
Die gevestigde orde onderging ook wijzigingen. BMW en Toyota hadden er simpelweg genoeg van en zeiden dag met het handje. BMW behaalde in haar vier jaar als constructeur één overwinning (de GP van Canada van 2008 met Robert Kubica) en een mooie derde plaats als beste klassering, maar het gedrocht van 2009 én de crisis deden de Duitsers besluiten om de ganse handel op te doeken. Idem dito bij Toyota. Met veel poeha stapte het team in 2002 in de ring. De plannen van de Japanners waren, laten we zeggen, eerder ambitieus. Hun eerste jaar was een leerjaar, in 2003 hadden ze overwinningen gepland en het jaar nadien wilden ze strijden om de titel. Quod non. Een goed dozijn podiumplaatsen, drie poles en drie snelste ronden waren na acht jaar de povere balans. Spreken van een flop is in deze context een understatement. Toyota heeft zich ronduit belachelijk gemaakt. De grootspraak van in het begin maakte al snel plaats voor een vorm van nederigheid, maar het kwaad was geschied. Exit Toyota. We zullen hen niet missen.
Daar stond Bernie dan. In een jaar tijd was hij drie van zijn vijf constructeurs kwijt. Hij was er zo fier op dat de Formule 1 er was in geslaagd om een competitie tussen de grote merken te worden. Bijna verloor hij nog een vierde. Na de wereldtitels van Fernando Alonso in 2005 en 2006 was Renault plots tot stilstand gekomen. Niets lukte nog. De wet van de remmende voorsprong? Zowel in 2007, in mindere mate in 2008, maar vooral in 2009 stond het team nergens. Daarenboven kregen de Fransen het schaamrood op de wangen toen ze verantwoordelijk werden geacht voor de meest perverse vorm van spelvervalsing: doelbewust crashen om het resultaat van een race te beïnvloeden. Nelsinho Piquet’s crash tijdens de GP van Singapore van 2008 was een ingestudeerd nummertje en bezorgde teamgenoot Fernando Alonso de overwinning. Je zou voor minder twijfelen aan je engagement. Opperhoofd Carlos Ghosn blies maandenlang warm en koud over een verdere deelname aan het kampioenschap – dit is duur tijdverdrijf als je krap bij kas zit – maar uiteindelijk konden ze een regeling treffen. Het leeuwendeel van het team werd verkocht aan een investeringsfirma, maar de naam en de techniek werden behouden. En toch blijft het mijn favoriete team.
Ecclestone kon nog enigszins zijn gezicht redden doordat Mercedes vanaf 2010 wél als constructeur aan het kampioenschap zal deelnemen. Als de nood het hoogst is zijn de Duitsers nabij. Ze kochten Brawn GP op – Ross Brawn deed een gouden zaak – en haalden de oude Michael Schumacher van stal. Jawel, de zevenvoudige wereldkampioen maakt een heuse comeback. Op zijn eenenveertigste wil hij simpelweg opnieuw beginnen. Vorig jaar werd hij eventjes aangekondigd als supersub voor de gewonde Felipe Massa bij Ferrari, maar dat ging niet door omdat Schumacher’s nek na een ongeval nog niet was geheeld. Volledig herstel was echter een kwestie van maanden en ondertussen begon het in Zwitserland te kriebelen. Ferrari probeerde in extremis een derde wagen voor hun coryfee te arrangeren, maar di Montezemolo beet in het zand. Na vijftien jaar kwam een einde aan de samenwerking tussen Ferrari en de Duitser. De meest vruchtbare samenwerking uit de geschiedenis van de sport was over, maar ze gingen als vrienden uiteen. Zal Michael Schumacher als veertiger zijn mannetje kunnen staan tussen mensen die vijftien tot twintig jaar jonger zijn? Een comeback houdt altijd een risico in. We hebben al veel gênante voorbeelden gezien, maar dit is de enige echte Michael Schumacher: hyperprofessioneel en dodelijk perfectionistisch. Een vakman. We kunnen ons moeilijk inbeelden dat hij zal afgaan als een gieter. De laatste decennia is het onhip geworden om na je veertigste op dit niveau te racen, maar het is ooit anders geweest. De legendarische Juan Manuel Fangio was 46 toen hij in 1957 zijn vijfde en laatste wereldtitel won. Mario Andretti won in 1993 op zijn drieënvijftigste nog een Indycarrace op het ovaal van Phoenix. Het is wachten op de comeback van Mika Hakkinen.
Door het verdwijnen van BMW en Toyota kwamen nog eens twee plaatsen vrij op de grid. BMW’s slot werd door een Maleisische reïncarnatie van Lotus ingenomen; datzelfde BMW-team werd niet veel later door haar vroegere eigenaar Peter Sauber teruggekocht. Zijn team maakte jacht op het vrijgekomen plaatsje van Toyota en verwierf het ook. Het resultaat van al deze operaties is hallucinant: vier compleet nieuwe teams (USF1, Campos Meta, Manor en Lotus), één team dat een verdwenen team opkocht (Sauber), één team dat grotendeels door een investeringsfirma werd overgenomen (Renault) en één bestaand team dat van eigenaar veranderde (Mercedes). Enkel bij McLaren, Ferrari, Red Bull, Williams, Force India en Toro Rosso bleef alles bij het oude, al verloor McLaren haar status van bevoorrechte Mercedes-klant en ruilde Williams de Toyota-motor voor een Cosworth-blok in. Kunt u nog volgen?
En nog was het niet gedaan. Het jonge Manor zocht sponsors en werd nog voor de start van het seizoen door het Virgin van Richard Branson opgekocht. Idem dito voor Campos Meta, dat nog voordat de wagen één centimeter had gereden door een Spaanse zakenman werd overgenomen en het team prompt in Hispania F1 herdoopte. Bij USF1 is de hommeles zowaar nog sterker: het team komt gewoon niet aan de start. Ondanks sponsorgeld van de stichter van YouTube kon USF1 de rekeningen niet meer betalen. De wagen was al klaar. Durfkapitaal om u tegen te zeggen. Eventjes hoopte Zoran Stefanovic, een Serviër, om op zijn beurt met het voormalige Toyota-materiaal onder de naam Stefan GP het vrijgekomen slot in te vullen, maar daar wil de FIA niet meer van horen. De brave man had al Kazuki Nakajima en niemand minder dan Jacques Villeneuve ingehuurd. Villeneuve versus Schumacher: the nineties all over again. Het heeft niet mogen zijn, maar de discussie is nog niet gesloten. Stefanovic zal hemel en aarde doen bewegen om alsnog aan de start te komen. Is het niet in Bahrein, dan is het later of in 2011. Wordt vervolgd.
Gelukkig zijn er nog de rijders. We zijn gezegend met een ongezien talentvolle generatie jonge en minder jonge coureurs die het beste van zichzelf geven. Profiterend van zijn nummer één slaagde Jenson Button er in om een droom in vervulling te laten gaan: hij maakte de switch naar McLaren. Zal hij zijn mannetje kunnen staan tegen Lewis Hamilton? Het valt af te wachten. Feit is dat Hamilton tussen alle supertalenten ronduit de beste is. Als de wagen wat meezit staat er geen maat op de jongeman. Zet nooit twee stieren in één wei: dat is precies wat McLaren nu doet. De Britse pers zal er alles aan doen om beide heren tegen elkaar uit te spelen. Dit onder controle houden is even moeilijk als Brussel-Halle-Vilvoorde splitsen. Of toch bijna. De concurrentie zal moordend zijn. Bij Ferrari verwelkomde men met alle égards Fernando Alonso. De Spanjaard weet hoe je titels moet winnen en kan met een stuurbeheersing die ons aan Alain Prost doet denken ver komen. De terugkerende Felipe Massa kijkt het met lede ogen aan. Hij wordt opnieuw de duidelijke nummer twee van het team. Als hij geen degelijke resultaten neerzet zal hij de hete adem van Robert Kubica of Sebastian Vettel in zijn nek voelen.
Sinds vorig jaar behoort ook Red Bull tot één van de topteams. Of dit louter tijdelijk is en aan het talent van Vettel te danken is weten we nu nog niet, maar samen met Mark Webber zal de jonge Duitser zeker voor vuurwerk zorgen. Het zelfvertrouwen van de vice-wereldkampioen is torenhoog. Mercedes, de vierde hond, zal met Schumacher en Nico Rosberg uiteraard op een constante media-aandacht kunnen rekenen. Of ze deze winter ook hun huiswerk hebben gemaakt blijft af te wachten. In de testritten konden ze alsnog niet overtuigen, maar uit de winterse tijden kan moeilijk iets worden opgemaakt.
Of de rest zich in het robbertje vechten tussen de vier groten kan mengen blijft een open vraag. Renault heeft Robert Kubica in huis, ook al een beste rijder van zijn generatie, en doet voor de tweede wagen een beroep op de Russische rookie Vitaly Petrov. De eerste Rus in de Formule 1 zal veel te leren hebben. Maar goed, de man verdient een kans, al behoort hij nog niet tot de reeks supertalenten die de andere wagens besturen. Williams huurt de highly rated Nico Hulkenberg in, terwijl Sauber het raspaardje Kamui Kobayashi een kans geeft. De man maakte voor Toyota een indrukwekkend debuut in de laatste twee races van 2009 en dat was veelbelovend. Beide teams kozen ervoor om een ervaren rot in hun tweede wagen te plaatsen, respectievelijk Rubens Barrichello en Pedro de la Rosa.
Onder de subtop hopen Toro Rosso en Force India met dezelfde rijders als vorig jaar een graantje mee te pikken, maar de concurrentie is bikkelhard. Van de drie écht nieuwe teams wordt voorlopig niets verwacht. Lotus heeft vooral een mooie wagen, maar of hij ook deftige tijden kan neerzetten blijft de vraag. Jarno Trulli en Heikki Kovalainen kunnen nog een jaartje verder racen. Virgin laat naast de niet onsnelle Timo Glock het Braziliaanse talent Lucas di Grassi debuteren. We kijken met interesse toe. Hispania, ten slotte, haalt met Bruno Senna (neef van) het sentiment boven. Aan Karun Chandhok, zijn Indische teamgenoot, vragen we vooral om plaats te maken als de snellere jongens hem dubbelen.
De kalender onderging een aantal wijzigingen. We beginnen en eindigen in het Midden-Oosten: van Bahrein tot Abu Dhabi. Beide circuits zijn geografisch slechts 446 kilometer van elkaar verwijderd, maar daarna worden behoudens Afrika alle continenten aangedaan. En zie, mijn favoriete circuit van Montréal is opnieuw op de kalender geplaatst. De Grand Prix du Canada moet één van de hoogtepunten van het jaar worden. Vanaf 2010 gaan we ook naar Zuid-Korea, al weet niemand echt wat ervan te verwachten. Samen negentien races, twee meer dan in 2009. Gentlemen, start your engines!
Tags: 2010, adrian sutil, bernie ecclestone, bruno senna, felipe massa, fernando alonso, ferrari, force india, formule 1, heikki kovalainen, hispania, jacques villeneuve, jaime alguesuari, jarno trulli, jenson button, kamui kobayashi, karun chandhok, kazuki nakajima, lewis hamilton, lotus, lucas di grassi, mark webber, mclaren, Mercedes, michael schumacher, nico hulkenberg, nico rosberg, pedro de la rosa, red bull, renault, robert kubica, rubens barrichello, sauber, sebastian buemi, sebastian vettel, stefan gp, timo glock, toro rosso, usf1, virgin, vitaly petrov, vitantonio liuzzi, williams
Scandinavië doet mij vaak terugdenken aan mijn kindertijd. Lego. Zweedse jeugdfilms op de Nederlandse televisie. Zweedse banken. Gigantische vikingschepen. Houten huizen met gekleurde gevels. Sneeuw. Carola die het Eurosongfestival won met Fångad av en stormvind. Abba, uiteraard. Tekenfilmheld Nils Holgersson. Het hoge noorden was altijd wel ergens aanwezig. Net als Nederland was het een collectief – Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland en IJsland – waar men vanuit het eenvoudige Vlaanderen naar opkeek. Het was in de jaren tachtig en negentig te ver om er met de wagen naartoe op reis te gaan; het vliegtuig was geen optie. Hoewel we met hun producten kennis maakten bleef Scandinavië toch enigszins een mysterie, totdat het low-costvliegen de wereld onttoverde.
De Noorse hoofdstad Oslo is met Ryanair vanuit Charleroi vrij eenvoudig te bereiken. De Ierse maatschappij vliegt niet op Gardermoen – de voornaamste luchthaven van de stad – maar op Rygge, een oude militaire basis waar sinds kort de burgerluchtvaart haar intrede heeft gedaan. Na elke landing rijden shuttlebussen van daaruit op en af richting hoofdstad om een nieuwe lading toeristen op hun bestemming te brengen. Geen eivolle TEC-bussen, maar comfortabele coaches.
Vanuit de lucht is de wereld toch bijzonder mooi. De Noorse fjorden tekenen zich duidelijk af. Ze zijn begin maart nog allemaal netjes ondergesneeuwd. Het is best indrukwekkend. We genieten er van, tot we te horen krijgen dat landen op Rygge voorlopig uitgesloten is. Hoe helder de lucht op enkele kilometer hoogte ook is, beneden zit het potdicht. Een zichtbaarheid van een kwart kilometer was niet voldoende; de Boeing had minstens zeshonderd meter nodig. Dan maar rondjes draaien. We apologize for this delay. Na een half uur ondernam de piloot een eerste poging om het toestel aan de grond te zetten. De landing verliep naar behoren. We zagen de bomen al onder ons door passeren toen de motoren plots op volle kracht het vliegtuig terug de lucht instuurden. “As you probably have noticed, we’re not able to land at Rygge.” Een tweede poging werd overwogen; lukte ook dat niet dan vliegen we naar een andere luchthaven. Uiteraard niet naar Gardermoen – Ryanair betaalt geen hoge landingsrechten – maar naar Sandefjord-Torp, aan de overkant van het fjord waaraan Oslo gelegen is. Feilloos stonden we daar met beide voeten aan de grond. Zo’n gigantisch lange landingsbaan hadden we tot nog toe niet gezien.
Sandefjord bevond zich op twee uur sporen van de hoofdstad. We waren des te gelukkiger dat we in ons etmaal Noorwegen toch nog iets van het platteland te zien kregen. De kennismaking met de Noorse Staatsspoorwegen (Norges Statsbaner, NSB) zou zonder meer een reality check zijn voor mensen die de NMBS als summum van openbaar vervoer op rails aanzien. Hier geen norse conducteur als u een kaartje op de trein koopt; men vraagt er geen toeslag op het al bij al prijzige ticket. Er zijn koffieautomaten op de trein en de wagons zijn comfortabeler en stabieler dan een Thalys. Voor frequente gebruikers van het spoor is dit een quasi-paradijs.
Eén ding overheerst de mooie fjorden en heuvels: sneeuw. Wellicht blijft het ijzige goedje hier de ganse winter liggen. We zien dan ook geen fietsers in het straatbeeld, maar wel mensen die zich met ski’s van huis tot huis voortbewegen. Moeten ze eventjes met de trein op en af naar het dichtstbijzijnde centrum, dan nemen ze de planken gewoon mee. Geen fietsen op de trein, maar ski’s do the job. Je hebt in Noorwegen bijgevolg écht wel het idee dat je in een andere wereld terecht gekomen bent. Overal is het even proper. De treinen rijden klokvast. Ons exemplaar had als eindbestemming Lillehammer – Olympische Winterspelen 1994 – en zal daar zonder enige vertraging zijn aangekomen. Als onze horloges de atoomklok benaderden, dan konden we op basis van deze ene ervaring wel stellen dat pendelen hier voorwaar aangenaam is. We zagen andere voorbeelden.
Het Sentralstasjon bevindt zich in het hart van de stad. Mooi, modern en met een food court waar ook de ondertussen legendarische Burger King opduikt. Omdat de markt der verzadigde vetten in België zelf verzadigd is – Quick en McDo delen de lakens uit – wordt dit soort lekkere brij ons ontzegd. De experts zullen wellicht beamen dat de kwaliteit van de Double Whopper (of Triple Whopper, zo u wil) het niveau van de Big Mac en Giant ver overstijgt; zowel broodje, vlees als frieten zijn ongeëvenaard, al zijn we er ons terdege van bewust dat het gebruik van superlatieven in deze een verkrachting van het concept keuken inhoudt. Alle gekheid op een stokje: de kennismaking met het culinaire Noorwegen kon erger. Fastfood blijft een interessant fenomeen dat tegenwoordig in alle hoeken van dit continent kan worden bestudeerd.
In Oslo kan je met een weekendticket twee dagen lang van alle vormen van openbaar vervoer gebruik maken. Dat is hier bijzonder uitgebreid: metro, tram en bus zorgen er voor dat een verplaatsing in deze al bij al kleine hoofdstad een sinecure is. Zo is het schiereiland Bygdøy, aan de andere kant van de baai, makkelijk te bereiken met de klokvaste bus. Tijdens de rit van een kwartier passeren we een aantal grote bezienswaardigheden: het parlement (Storting), het plein rond de Karl Johans gate (mét Hard Rock Café) en het koninklijk paleis, terwijl we een glimp opvangen van de twin towers van het stadhuis.
Bygdøy staat bekend als museumeiland. Midden in een residentiële wijk met ambassades en villa’s van de lokale CEO’s, de nobilitas en de patriciërs zijn een reeks hotspots gevestigd. In het Vikingskipshuset staan enkele wereldberoemde gerecupereerde snekken. Van buiten uit lijkt het gebouw op een oude kerk, maar dat is het niet. Het werd in de jaren twintig speciaal voor dit patrimonium opgetrokken. Binnenin is het Osebergskipet veruit het meest bekende en intacte exemplaar. In 1904-1905 werd het door een Noorse en een Zweedse archeoloog opgegraven en bewaard voor het nageslacht. Zonder meer werelderfgoed. Vooral de lengte valt op. Het moet een huzarenstuk zijn geweest om dit in het tweede deel van het eerste millennium te hebben gebouwd. Bovendien zijn de ornamenten van een bijzonder hoog niveau. Enkele snekken zijn niet helemaal kunnen worden gerestaureerd, maar het neemt niet weg dat het Noors-Zweedse team schitterend werk heeft afgeleverd.
Dit is een natie die het van het water moet hebben. Erfgoed van de ene Scandinavische legende ligt er naast het andere. Een eindje verderop, aan het uiteinde van het schiereiland, worden zowel Thor Heyerdahl (1914-2002) als Roald Amundsen (1872-1928) eer aangedaan. Beiden schreven geschiedenis waar men tot op de dag van vandaag overal ter wereld naar opkijkt. Heyerdahl was ervan overtuigd dat de Polynesiërs afkomstig waren uit Zuid-Amerika en niet, zoals de gangbare theorie, uit Azië. Met andere woorden: de zeereis van de eerste bewoners verliep niet van west naar oost, maar van oost naar west. Dat wou hij bewijzen door met een vlot vanuit Peru naar Polynesië te varen. De Kon-Tiki, genoemd naar de zonnegod van de Inca’s, zwalpte in 1947 in 101 dagen van Callao, de haven van Lima, naar Raroia in de Polynesische Tuamotu-archipel. Quod erat demonstrandum, maar antropologen en etnografen waren niet overtuigd. Ze bleven zweren bij de Aziatische piste en beweren daar aantoonbare argumenten voor te hebben. In academische kringen wordt Heyerdahl’s theorie dan ook vergeleken met het geloof in het bestaan van Atlantis. O ironie: Thor Heyerdahl’s avontuur wekte een wereldwijd enthousiasme voor antropologie en etnografie op en dat bracht voor diezelfde academici brood op de plank. Waren we wat vroeger geweest, dan konden we de Kon-Tiki met eigen ogen hebben gezien. Een muur en een gesloten deur stonden in de weg.
Aan de overkant van het plein ligt de Fram, het schip waarmee Roald Amundsen naar de Zuidpool voer. Hij was de eerste man die de Zuidpool ook effectief bereikte; daarna ondernam hij een expeditie naar de Arctische pool en kwam ook daar aan. De man had voor deze tochten ervaring opgedaan bij de, jawel, Belgen. Hij was één van de mensen aan boord van de Belgica, waarmee Adrien de Gerlache in 1897 naar Antarctica trok. Amundsen kwam aan zijn einde toen hij bij een reddingsactie tijdens een latere expeditie met een vliegtuig ergens in de Barentszzee crashte. Lichaam noch vliegtuig werden ooit gevonden. De Fram is alvast goed bewaard. We konden er even een blik op werpen, maar toen zei de dame aan het loket dat ook hier de sleutel zou worden omgedraaid. Het was vier uur in de namiddag. In Oslo moet je er in het weekend vroeg bij zijn. Onze vierentwintig uur in deze stad waren niet genoeg om aan dit criterium te voldoen.

Het koninklijk paleis, dat sober oogt, dateert uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Het is de ambtswoning van de Noorse monarch waar de gebruikelijke geplogenheden van een vorst plaatsvinden: banketten, officiële ontvangsten én gastenverblijf voor bezoekende staatshoofden. Harald V en zijn zoon Haakon, die al twee keer de rol van supersub opnam, overschouwen vanuit hun paleis het centrale plein van de stad, dat zich uitstrekt tussen de Karl Johans Gate en de Stortingsgata. Ondertussen passeren we nog de universiteit van de stad, waar de ijskegels het levende bewijs van de kou vormen. Het Nationaltheatret, aan de overzijde, liet in 1899 voor het eerst een stuk op het publiek los en volgde het Christiania Theater op. Dat theater droeg de naam van de stad, want tot 1925 heette Oslo immers Christiania, naar de Deens-Noorse koning Christian IV. De man herbouwde de stad na een brand in 1625 en wou, nederig als hij was, maar een symbolische beloning voor deze daad van barmhartigheid. Vorsten staan nu eenmaal ten dienste van het volk. Christian Kvart, zoals ze hem hier noemden, was wel degelijk een plichtsbewust man: hij stond al van zijn elfde aan het hoofd van het koninkrijk Denemarken-Noorwegen, dat hem van 1588 tot 1648, meer dan 59 jaar, moest verdragen.
Zoals dat in een land met gescheiden machten gaat bevindt de wetgevende macht zich recht tegenover het (ceremoniële) hoofd van de uitvoerende macht. Aan de andere kant van het plein probeert de Storting, het Noorse parlement, bescheiden een plaats in te nemen aan het firmament van de hoofdstad. Echt overtuigend is het allemaal niet. Een theatertje? Een voormalig station? Veel égards heeft het niet. Bovendien verloor de Storting vorig jaar nog wat van zijn charme. Hoewel dit een unicameraal verkozen parlement is, had een vierde van de 169 afgevaardigden zitting in een hogerhuis (Lagting); de overige drie vierden zetelden in het lagerhuis (Odelsting). De taakverdeling was vergelijkbaar met die van onze Kamer en Senaat, maar na verloop van tijd raakte de rol van de Lagting wat uitgehold. In 2007 besliste men om na de verkiezingen van 2009 allen samen knus in het Odelsting te kruipen. Eenvoud siert.

Alfred Nobel, de uitvinder van het dynamiet en stichter van de gelijknamige prijzen, was een Zweed en heeft in Stockholm een instituut met belendend comité. De nobelprijzen voor de chemie, fysica en andere disciplines worden daar toegekend, maar de deliberatie over de laureaat van de bekendste aller prijzen gebeurt door een Noors comité. Op de vraag waarom dit zo is en waarom Nobel überhaupt een vredesprijs heeft ingesteld is geen eenduidig antwoord te geven. Misschien had hij wel enige wroegingen over het destructieve karakter van zijn belangrijkste uitvinding. Naar verluidt zouden de Noren de prijs mogen toekennen omdat ze een minder militaristische traditie hadden dan de Zweden, waarmee ze toen nog een (personele) unie vormden. Tot op de dag van vandaag wordt de Nobelprijs voor de vrede in het stadhuis van Oslo uitgereikt. De twin towers van het zestig jaar oude gebouw zijn groot, maar de hoekige vormen en de rode bakstenen doen ons eerder aan een constructie uit legoblokjes denken. Binnenin proberen de muurschilderingen het geheel wat karakter te geven, maar daar is men niet echt in geslaagd. Toch is het een indrukwekkende zaal waar elk jaar op 10 december de ceremonie voor de verdienstelijke wereldverbeteraar plaatsvindt.
Tussen de jachthaven en de dokken waar ferry’s en ander zwaar materieel aanmeren loont het de moeite om de Akershus-vesting te beklimmen. Het fort dateert uit het einde van de dertiende eeuw en heeft vele belegeringen doorstaan. Christian Kvart maakte er later een renaissancekasteel van, maar dat werd op zich nooit zwaar op de proef gesteld. Tijdens de tweede wereldoorlog werd er geen schot op gelost, maar wel daarbinnen, want er vonden nogal wat executies plaats. Na de oorlog werden er oorlogsmisdadigers berecht en afgemaakt, waaronder Vidkun Quisling, de minister-president van de collaborerende Noorse regering. Quisling is ondertussen een woord voor verrader geworden. Arm nageslacht.
Vandaag is het nog steeds een militair domein. Enkele jonge mannen houden in de ijzige kou de wacht rond het fort, dat er dezer dagen kalm bij ligt. De sneeuw maakt dit oord met een toch wat akelige geschiedenis enigszins gezellig. In aanliggende gebouwen zetelt nu het Ministerie van Defensie, dat zich wellicht hoofdzakelijk bezig houdt met het in het oog houden van Russische onderzeeërs. Dit land haalt haar welvaart uit de gigantische voorraden fossiele brandstof; rijkdom moet je beschermen en daar zullen de Noren wel een heel professioneel systeem voor bedacht hebben. In een keurig legermuseum kan je de geschiedenis van de Forsvaret in woord en beeld herbeleven. Bij het binnenkomen geven gedisciplineerde gepensioneerden aan niet-Noren met plezier uitleg over de armed forces en dat van in de tijd van de Vikings tot op de dag van vandaag. We kunnen ons niet aan de indruk ontdoen dat de kranige zestigers en zeventigers voormalige militairen zijn die heimwee hebben naar hun uniform. Ze doen alvast puik werk voor de geïnteresseerde toerist. Wellicht is ook het verzetsmuseum de moeite waard.

De Noren houden niet enkel vast aan hun verre verleden, aan de genese van een rustige hoofdstad in het noorden, aan hun maritieme helden of aan hun naoorlogse ontwikkeling. Met Akerbrygge kregen oude fabriekspanden de voorbije jaren een nieuwe bestemming, al mist het geheel nog wat spirit om een écht hippe buurt te worden. De nieuwe opera opent de poort naar een Oslo van de eenentwintigste eeuw. Wordt het een tijdperk van rustige vastheid of krijgen we een Dynamic Icebear? Met dit Oslo heeft men alvast een zenuwcentrum en een permanent geheugen van de natie, maar geen uithangbord. Noorwegen is gelukkig meer dan Oslo alleen.
Reiskaart weergeven op een grotere kaart
Tags: abba, adrien de gerlache, akerbrygge, akerhus, alfred nobel, belgica, burger king, Bygdøy, callao, carola, christiania, drammen, dynamic icebear, fjorden, gardermoen, hard rock café, kon-tiki, koningshuis, lego, Lima, nils holgersson, nobelprijs, noorwegen, opera, oslo, polynesië, roald amundsen, rustige vastheid, ryanair, rygge, sandefjord, scandinavië, stadhuis, storting, thor heyerdahl, torp, trein, vikings, zweedse banken
Europa gaat vooruit. Ondanks alle tegenwind die het Grote Project het voorbije halve decennium heeft ondervonden is er het laatste jaar weer reden tot optimisme. Lissabon gaat van start en dan nog wel met een Belg aan het roer. Daarnaast is het opvallend hoe een ander fenomeen de kop heeft opgestoken: het debat, starring Nicolas Sarkozy en Guy Verhofstadt. De Franse president lanceerde een nationwide discussie over wie en wat die Fransen nu wel zijn. Grotendeels voor intern gebruik natuurlijk, want op die manier probeert hij munitie voor het integratievraagstuk te verzamelen en kiezers van bij Le Pen of Bayrou af te snoepen. We kunnen ons dus vragen stellen bij de motieven, maar er is ten minste op ruime schaal een debat. De mensen worden aangezet om er aan te participeren. Dat dit tot spanningen, verwijten en regelrechte scheldpartijen leidt is onvermijdelijk. Niet iedereen draagt hoffelijkheid hoog in het vaandel of kan op een volwassen wijze een gedachtewisseling voeren en respect voor de opponent opbrengen. Ook het relativeringsvermogen is bij de schepping selectief uitgedeeld. De incarnatie van de indertijd zo geprezen opendebatcultuur stuit keer op keer op beperkingen. Maar goed: in Frankrijk is een debat aan de gang. Het uitwisselen van ideeën blijft niet beperkt tot obscure denktanken, machtscenakels of Zaal F van de Senaat.
Wie initiatief neemt stelt zich kwetsbaar op. De usual suspect stelde het ganse gebeuren in vraag. Guy Verhofstadt ging met een opinieartikel in Le Monde in de clinch met het Franse establishment. In een Europa van de eenentwintigste eeuw heeft het geen zin om in termen van natiestaat te denken en het debat grosso modo binnen de grenzen van het Verdrag van Versailles te voeren. Dit zijn verouderde begrippen en kunnen enkel tot etnocentrisme leiden. We moeten naar een verenigd Europa met vrije individuen, ontvoogd van enige nationale identiteit. Frankrijk mist met dit debat een grote kans. Ondanks een vernietigend commentaar van Bernard Kouchner, de Franse minister van buitenlandse zaken, ging Verhofstadt op zijn elan verder en stelde wat later, de zaken tot in het extreme doortrekkend, dat nationale identiteiten uiteindelijk tot Auschwitz leiden. De Verenigde Staten van Europa, waarmee de voormalige eerste minister zich voor de eerste keer voor een Europese topjob onmogelijk maakte, zijn de uiteindelijke toekomst. Europese waarden en normen moeten die van de natiestaat – of van subnationaliteiten – vervangen. Geen nationalisme, maar internationalisme, gebaseerd op wederzijds respect en verdraagzaamheid. Verhofstadt zag de bui hangen en kocht een paraplu om zich te beschermen tegen de bakken kritiek die op hem gingen vallen.
Inderdaad, nationale identiteiten hebben in het verleden heel wat bloed doen vloeien. Of beter: op nationale identiteiten beroep doende ideologieën en perverse machtsstrategieën deden Europa meer dan eens in brand staan met Dachau, Treblinka en Auschwitz als extreem hallucinant culminatiepunt. Identiteiten, politiek vertaald in nationalisme, zijn kwetsbaar voor misbruik door totalitaire regimes. We moeten in een politieke context dus bijzonder omzichtig omspringen met het begrip. Dat begrip is bovendien niet eenduidig. Er bestaan honderden interpretaties van wat een identiteit precies is. In vele studies wordt het concept op diverse manieren gehanteerd en die zijn vaak incompatibel. Toch zijn er bibliotheken volgeschreven over het identiteitsbegrip en de mate waarin het toepasbaar is op deze of gene groep. Het moet dus wel enige maatschappelijke relevantie hebben. Je kan het niet meteen aan de kant schuiven.
In een grijs verleden heb ik ooit eens een thesis geschreven over de identiteit van de Québécois. Het toonde aan dat spreken over identiteiten een bijzonder complexe aangelegenheid is. De Québécois zijn niet louter te herleiden tot de Franstalige Canadezen. Het zijn eerst en vooral de inwoners van de provincie Québec, die zes miljoen zielen telt die haast integraal aan de oevers van de St. Laurent wonen. Het grootste deel is Franstalig, maar ondertussen zijn ook een grote groep mensen Engelstalig van thuis uit. De oorsprong van de immigranten – dat zijn ze behalve de aboriginal peoples allemaal – bevindt zich inderdaad voornamelijk in Frankrijk, maar intussen is ook Québec een melting pot. Zo wonen in Montréal meer dan tachtig nationaliteiten. De Franstaligen waren van katholieke huize en de Kerk nam, net zoals bij ons, tot diep in de tweede helft van de twintigste eeuw een dominante positie in. Naar buiten toe kwam Québec lange tijd als een Franstalig blok naar voor, want hun taal en cultuur – een groot onderdeel van hun identiteit – was binnen het hoofdzakelijk Angelsaksisch Canada in het bestaan bedreigd. Nationalistische partijen staken de kop op en tot twee keer toe werd een referendum georganiseerd waarbij de inwoners werd gevraagd of ze al dan niet een onafhankelijk Québec wilden of, als alternatief, ze in de Canadese federatie wensten te blijven. Twee keer, in 1980 en 1995, ving men bot. Nu via allerlei akkoorden en mechanismen de Franse taal en achtergrond substantieel wordt beschermd is de roep om onafhankelijkheid fel getemperd. Verwacht wordt dat een derde referendum met een duidelijk “non” de souverainistes definitief het zwijgen zou opleggen. Ze wagen zich er voorlopig niet meer aan. Het komt er op aan om een modus vivendi te vinden. Dit alles bewijst dat identiteit wél een rol speelt en culturele verrijking kan betekenen. Het is toch fascinerend dat er in een Angelsaksische woestijn nog steeds een Franstalige oase met een rijk cultureel erfgoed is. Identiteit op zich is niet vies. Belangrijker is hoe je er zelf mee omgaat. Een nieuwe generatie Québécois is zich bewust van zijn geschiedenis – de leuze is niet toevallig je me souviens – maar ze kijkt ook naar de toekomst in een Canada met grote opportuniteiten.
Het verhaal van Québec brengt ons automatisch naar ons eigen verhaal: wat met de Vlaamse identiteit? Is er überhaupt een Vlaamse identiteit? Ook hierover zijn honderden boeken geschreven en laaien de discussies met veel pathos op. Zelf heb ik nooit enige nood gevoeld om mij hiermee te associëren of voor het zogenaamd Vlaams-zijn op te komen. Het zegt me gewoon niets. Ik hou meer van de open, meertalige Belgische federatie, maar dat is een persoonlijk standpunt. U mag mij zelfs van enige dédain ten opzichte van de (in-)Vlaamse retoriek, hun provincialisme, hun folklore, hun symbolen, hun verhalen, hun voormannen, hun militanten en hun politieke partijen verdenken. What the f***… Je kan echter niet ontkennen dat een deel van de bevolking wel in dit discours wenst mee te lopen en dit als ideaalbeeld ziet. Ik wil hen met plezier proberen te overtuigen van mijn eigen gelijk, dat ook dat Vlaams gevoel een constructie is, maar het heeft per slot van rekening geen zin. Doen ze iets verkeerd met fier te zijn omdat ze Vlaming zijn? Zolang ze zich niet laten meeslepen door die horde platvloerse neofascisten en erkennen dat je ook met een andere huidskleur of een andere culturele achtergrond erbij kan horen mogen ze voor mijn part Vlaming zijn. Identiteit zit voor een groot stuk tussen de oren. Of beter: identiteiten. Men heeft er meerdere: men is Gentenaar in Oost-Vlaanderen, Oost-Vlaming in Vlaanderen, Vlaming in België en Belg in de wereld. Multiple identities.
Nationale en subnationale identiteiten zijn dus een feit en niet meteen een probleem voor de Europese beschaving (mét een joods-christelijke identiteit). Zolang je die goed beheert, ze niet misbruikt en er politiek correct mee omgaat. Aan Nicolas Sarkozy om te bewijzen dat hij dat kan. Moet Guy Verhofstadt dan met lege handen naar huis? Zijn supranationale on-identiteit is iets te vaag om nationale identiteiten op te volgen. Het kadert vooral in een nieuwe aflevering hoe maak ik mij nog maar eens onmogelijk voor een Europese topjob. Verhofstadt toont hiermee aan dat zijn cyclisch politiek gedrag gewoon verder gaat. De ideoloog en de machtspoliticus wisselen elkaar elk decennium af. In de jaren zeventig reisde de inspirerende PVV-Jongerenvoorzitter het ganse land af om iedereen van zijn visionaire ideeën te overtuigen. Als minister van begroting leerde hij de lepe truken kennen en toepassen, maar eenmaal in de oppositie kwam de filosoof weer boven. De burgermanifesten gingen de wereld veranderen. Na de dioxinekippen bewees Guy Verhofstadt opnieuw dat hij een machtspoliticus pur sang was. Nu hij terug met quasi lege handen staat zit hij weer in zijn ideologische fase. Als leider van een al bij al beperkte fractie in het Europees Parlement én grote verliezer bij het uitdelen van de portefeuilles moet hij weer een been hebben om over te klagen. Een idee om de wereld te veranderen. Da joenk blijft zichzelf. Het is nog maar de vraag of dat een slechte zaak is. En plein public inhoudelijke discussies voeren: het is wat anders dan de Europese president openlijk uitschelden. Ik zeg niet meteen nee tegen een stevig debat. Of is de hele zaak één toneelstuk om zijn fractie op de kaart te zetten? Ik zal voor één keer mijn cynisme in de kast stoppen. Trakteer me nu maar op een West-Vleteren, Guy…
Tags: guy verhofstadt, identiteit, nicolas sarkozy, québec, vlaanderen
Een uitnodiging van lieve Nederlands-Belgische lieden om een weekendje te Hollanden konden we onmogelijk afslaan. Ze hebben hun thuis in Hoofddorp en dat is een ideale startplaats om het noord-westen van de Randstad te verkennen. De Zuiderzeetocht van twee weken geleden zinderde nog na. Het veel te onbekende Nederland bleef indruk maken. Dit keer zouden Leiden en Haarlem voor de bijl gaan.
Het is opvallend dat veel autosnelwegen in Nederland amper twee rijstroken tellen. Men moet maar het openbaar vervoer nemen, zo luidt de redenering. Quod non; alles zit in de Randstad al snel potdicht. De boodschap is duidelijk. Hier woon je best zo dicht mogelijk bij je werk als je van de wagen afhankelijk bent. Sporen is een nog betere keuze, maar dit is uiteraard niet in alle omstandigheden een optie. Woonwijken rijzen bijgevolg als paddenstoelen uit de grond. We zagen het al in Almere, maar ook in Hoofddorp – gemeente Haarlemmermeer – kunnen ze er wat van. Aan de deftige huizenblokken komt geen eind. Hoofddorp is een zogenaamde groeikern: een centrum dat de bevolkingsaangroei van de in omvang toenemende steden moet opvangen. Niet iedereen kan nog in Amsterdam, Den Haag of Utrecht terecht. Hoofddorp, dat pas midden negentiende eeuw ontstond na de drooglegging van het Haarlemmermeer, telt ondertussen 73.000 inwoners en vervult haar taak als groeikern met glans. Een historisch-cultureel centrum hoef je hier dus niet te zoeken, maar die zijn bijzonder dichtbij: Leiden (ten zuid-westen) en Haarlem (ten noorden) zijn maar een boogscheut van Hoofddorp verwijderd.
Richting Leiden passeer je in Lisse, waar het Keukenhof de wereld elk jaar opnieuw toont dat Nederland niet enkel een waterland, maar ook een bloemenland is. Het park met bloemenpercelen is maar een kleine twee maand per jaar open, maar trekt toch honderdduizenden bezoekers. Wat ooit de kruidentuin van een kasteel was, is nu een mega-attractie. Vandaag zien we er nog niets van, want het is nog te koud. De bloembollen zijn nog niet helemaal tot ontwikkeling gekomen. Het Keukenhof mag u niet verwarren met de Floriade, een gigantische wereldtuinbouwtentoonstelling die maar één keer per decennium wordt georganiseerd. De vorige (2002) vond deels in Hoofddorp plaats. In 2012 is Venlo aan de beurt. Voor het Keukenhof moet u maar één jaar wachten.
Anderhalf jaar geleden had al ik een eerste keer kennis gemaakt met Leiden. Er werd over de Leuvense tegenhanger veel goeds verteld en dat bleek ook zo. Op die mooie zaterdag in september hielden we er maar kort halt, maar het loonde de moeite. De stad straalde rust en gezelligheid uit. We waren toen net voor de start van het academiejaar; de jongerenkolonie was nog niet gearriveerd, laat staan dat ze in volle beweging was. Nu was er duidelijk wel meer leven in de brouwerij.

In de toen zo desolate Hortus Botanicus is nu toch wat meer leven. Voor zes euro kunnen we één van de oudste botanische tuinen ter wereld bezoeken. Op het einde van de zestiende eeuw had de universiteit behoefte aan een tuin waar studenten in de medicijnen – zo heten ze hier – geneeskrachtige planten konden analyseren. Er werd actie ondernomen. Men stelde plantkundige Carolus Clusius aan als praefectus horti en die liet meteen al een karrevracht gewassen uit Kreta overkomen, zodat er al snel een aantal vreemde vogels in de Nederlandse turf belandden. Clusius gaf zijn naam aan die eerste tuin, die ondertussen naar de voortuin is verhuisd en, in tegenstelling tot het vervolg, gratis kan worden bezocht. De planten zijn er geschikt zoals in de oorspronkelijke versie, op basis van een plan uit 1594, maar de bestemming van de tuin evolueerde doorheen de eeuwen. Van een puur wetenschappelijk doel werd het meer en meer een botanische tuin waarin het grote publiek planten van over de hele wereld kan bekijken.
In het betalende gedeelte volgen de verschillende tuinen elkaar op. De wintertuin, een grote subtropische serre, toont de bezoeker een uitgebreide collectie kuipplanten uit die gebieden. Verder is er een Japanse tuin én de Victoriakas, die sinds 1872 de Victoria Amazonica herbergt. Deze ‘s nachts bloeiende gigantische waterlelie is het pronkstuk van de collectie. Met de regelmaat van de klok produceert ze in de bloeimaanden elke week een nieuwe bloem. Voor de plantenleken is het waarlijk een uitzonderlijk wonder der natuur.
Leiden is, zoals we op de Zuiderzeetocht al zagen, net zoals zovele andere Nederlandse centrumsteden een netwerk van grachten, brugjes, straatjes, steegjes omzoomd door lichtjes verzakte en hellende huisjes. De haventjes met jachten en minder prestigieuze schepen lenen zich bij uitstek voor amateurschilders die een decor zoeken. Ook professionals overigens: Rembrandt van Rijn werd op 15 juli 1606 in deze stad geboren. Zijn geboortehuis is echter verdwenen. We moeten het met een herinneringssteen in een smaakloos seventies-gebouw stellen, maar zien aan de overkant gelukkig een standbeeld van de man. En kijk: een horde Japanners heeft duidelijk al van Rembrandt gehoord en wil er uiteraard bij worden gefotografeerd. Of doen ze dat bij elk standbeeld? Hun “Please shoot me” begrepen we gelukkig voor hen niet verkeerd. Leiden heeft alvast de boot gemist om nog meer Japanners te lokken. De voornaamste werken van Rembrandt – de Nachtwacht en Het Joodse Bruidje – hangen in het Rijksmuseum in Amsterdam, maar daar kunnen we geen principieel bezwaar tegen hebben. De man bracht nu eenmaal zijn belangrijkste jaren in de hoofdstad door. In Amsterdam was er in de zeventiende eeuw wel meer te beleven dan in de kleine universiteitsstad.
Dit weekend staat politiek Nederland op zijn kop. Balkenende IV is gevallen over de kwestie-Uruzgan en dit op een heel onwelkom tijdstip. Binnen een week worden in Nederland nieuwe gemeenteraden verkozen. De campagne gaat gewoon door. Elke partij heeft hier, net als een marktkramer, een plaatsje in de drukke straten toegewezen gekregen. De ChristenUnie kwamen we als eerste tegen en hun lokale man deed ons uiteen wat er de laatste uren precies was gebeurd. Waarvoor dank, maar het was uiteraard bij de vrienden van het CDA dat we ons oor écht te luister legden. Goed zag het er niet uit. De pandoering was nabij; macht erodeert en daar moet je in de politiek mee leren leven. De jonge Leidense kandidaten lieten hun hoofd niet hangen. Ze gingen wel zien wat er van kwam. Uiteindelijk stemden 4638 Leidenaars voor het Christen-Democratisch Appèl, waarmee de partij één zetel moest inleveren en op vier terugviel. Wethouder Jan-Jaap de Haan, fractievoorzitter Arjen Bonestroo en gemeenteraadsleden Moniek Van Sandick-Sopers en Judith Sandriman zullen de komende jaren de partij in het Leidens stadhuis vertegenwoordigen. Het is overigens opvallend hoe men hier tijdens de campagne nog gebruik mag maken van gadgets. Sinds de wet op de verkiezingsuitgaven is het in België verboden om balpennen, kaartspelen of – Charles Woeste en Paul Van den Boeynants indachtig – worsten uit te delen. In Nederland gaat het lustig verder, al kent men hier niet de uitwassen zoals we die na verloop van tijd bij ons hebben gezien. Zelfregulerende Nederlanders? Ik heb de VVD alvast een kaartspel armer gemaakt. Dat exemplaar kunnen ze ten minste aan niemand anders uitdelen.
Ondanks de broodjes kroket, de legendarische frikandel en de nog meer afgrijselijke saté met pindasaus geven we de Nederlandse keuken nog een kans. Kibbeling is de naam. Het is een gefrituurde vorm van kabeljauw die bijzonder zoutig smaakt en die, indien u het nog erger wenst te maken, aangevuld kan worden met looksaus. Volgens de overlevering is kibbeling een verbastering van kabeljauwwang, als is ze blijkbaar niet steeds van even goede kwaliteit. Als het al kabeljauw is, want Atlantische kabeljauw is ondertussen zeldzaam geworden. Men doet nu beroep om vissoorten van mindere kwaliteit, wat vroeger als een visje voor de kat door het leven ging.
Leiden mag dan nog veel meer in zijn mars hebben, laat u vooral niet te veel enthousiasme opwekken door de Burcht. Wie een oninneembare vesting met kantelen verwacht is er aan voor de moeite. Er zijn dan wel kantelen, maar het geheel is bijzonder klein en is al eeuwen door de stad omgeven. Op ons verlanglijstje staat wel nog een bezoek aan het Academiegebouw, de Pieterskerk en het Museum Boerhaave. Voor een volgende keer.
Ten noorden van Hoofddorp en ten westen van Amsterdam ligt Haarlem, de met 150.000 inwoners op negen na grootste stad van Nederland. De Spaarnestad, genoemd naar de rivier die door Haarlem stroomt, is de thuishaven van monument Boudewijn De Groot en heeft een opvallend Vlaams verleden. Na de overwinning van de Spanjaarden op het einde van de zestiende eeuw trokken veel Vlamingen die de staatsgodsdienst niet genegen waren of op grote schaal handel dreven naar het noorden. Velen vonden in Haarlem een nieuwe thuis; op een bepaald moment maakten de Vlamingen een kleine helft van de Haarlemse bevolking uit. Ze zorgden ervoor dat de linnennijverheid een nieuw hoogtepunt bereikte en droegen ook op cultureel vlak bij. De grote Haarlemse schilder Frans Hals was een kind van Vlaamse immigranten. Hij werd in 1610 lid van een schildergilde – een beroepsvereniging van kunstschilders – en kreeg heel wat opdrachten. Uit de werken van Hals kunnen we afleiden hoe het Haarlem uit de zeventiende eeuw er uit zag. Zijn vele portretten van adellijke families zetten de geschiedenis van de stad in beeld om. In het naar hem genoemde museum zien we een schitterende selectie van zijn oeuvre. Voordat de bezoeker de effectieve collectie Halsen bezoekt krijgt hij op een bevattelijke manier duiding bij de geschiedenis van de stad én de grote Vlaamse invloed. Zo’n goed gedocumenteerd museum hadden we lang niet meer gezien.

De Nederlanders zijn steeds dankbaar geweest voor de Vlaamse bijdrage aan de ontwikkeling van de stad. Zo ontving Haarlem tijdens de eerste wereldoorlog veel Vlaamse vluchtelingen. Of ook Franstaligen werden opgevangen blijft voorlopig een open vraag die meer research vergt. Tot op de dag van vandaag wordt de Vlaamse erfenis in Haarlem in de kijker gezet. De stadswandeling Langs Vlaamse wegen toont u alles van naaldje tot draadje, al zouden ze er nog een Belgisch tintje mogen aan toevoegen. Langs eerder Hollandse wegen in de stad zagen we een gebouw dat een aangepaste kopie van het voormalige omroepgebouw op Place Flagey is. Het heeft natuurlijk niets met het zeventiende-eeuwse Haarlem te maken, maar is architecturaal een pareltje. U ziet het: deze stad hunkert naar een tweede bezoek.
Tags: cda, charles woeste, christen unie, frans hals, haarlem, haarlemmermeer, hoofddorp, hortus botanicus, keukenhof, leiden, lisse, nederland, paul van den boeynants, rembrandt, Spaarne, vlaanderen, VVD
Bij het ochtendgloren is Groningen een verlaten stad. We zagen het vorig jaar al in Den Haag: in Nederland moet je op zondag voor elf uur ‘s ochtends geen wonderen verwachten. Of toch: een ruim koffiehuis had de ogen al geopend en kon ons nog enigszins oplappen, want zelfs op de dag des heren is het in het hoge noorden bijtend koud. De geur en de temperatuur van de koffie zijn een vorm van genade.
De stad van Aletta
De stad en bij uitbreiding de gelijknamige provincie liggen in een uithoek van het land. Als Friesland al een andere wereld is, dan is Groningen the world beyond. Het behoort nu wel tot Nederland, maar is lange tijd een relatief onafhankelijk specimen geweest. Als Hanzestad kon Groningen in de middeleeuwen mee profiteren van een groot handelsnetwerk in noord- en oost-Europa, maar haar eigen uitstraling ging niet veel verder dan de omliggende gebieden, waar ze wel effectief iets over te zeggen had. Tijdens de Republiek was Groningen dan wel een pars pro toto, maar in realiteit bleven ze Stadjers, zoals ze zichzelf noemden, grotendeels hun eigen gangetje gaan met de grote Martinitoren als symbool van hun eigen macht.
Groningen heeft al sinds 1614 een universiteit. Vandaag de dag studeren er vijftigduizend studenten in de stad en dat is er aan te zien. Het academiegebouw kan de vergelijking met de Leuvense collega goed doorstaan. Je kan er bovendien in de vele boekhandels een volledige zaterdag vullen. Op het plein voor één van de colleges is een standbeeld aan Aletta Jacobs gewijd. Haar rol in de gelijkberechtiging van vrouwen bij de noorderburen is nauwelijks te overschatten. Aan de Rijksuniversiteit van Groningen werd de arts in 1879 de eerste gepromoveerde vrouw van het land. Daar worden de huidige studenten nog elke dag aan herinnerd, want het standbeeld staat midden in een buurt waar het ene studentencafé het andere opvolgt. Het is niet meer dan normaal dat de Belgische bieren hier hun Nederlandse equivalenten verdringen. In dit land heeft men toch enige smaak als het over het gerstenat gaat: indien mogelijk laat men eerder een bier van de zuiderburen inschenken dan dronken te worden door de Heinekens van deze wereld. Jammer, maar helaas…
Friesland
In Leeuwarden, de hoofdstad van Friesland, wordt een constante haast tot in het extreme doorgetrokken. We zagen al eerder dat je in de historische centra van Nederland ver moet zoeken om een niet-verzakt gebouw te vinden. In het hoge noorden is het niet anders, zij het dat het hier wel erg opvallend is. De Leeuwardse Oldehove, een nooit afgewerkte kerk die enkel een toren telt, heeft aan de top een inclinatiegraad van twee eenheden. Het moet niet elke dag Pisa zijn.
Het stadscentrum is opnieuw bijzonder puik, maar dat is het zoals in alle andere Nederlandse steden. Steeds komt hetzelfde stramien terug: straten met bordeaux klinkertjes, kleine verzakte huisjes, grachten, bruggetjes en fietsen die je net niet de dood injagen. Een rijk cultureel patrimonium, een spectrum aan erfgoed van de meest uiteenlopende christelijke denominaties, getuigen van een Joodse aanwezigheid. Rond dat centrum liggen meestal moderne kwartieren, uniforme wijken en zones waar verdomd veel activiteit is. Leeuwarden heeft bovendien – en dat kunnen weinige steden in Nederland zeggen – al een poging tot creatie van een skyline ondernomen. Je kan de stad al van in de verte zien liggen, want de Achmeatoren is niet minder dan 114 meter groot en meteen het hoogste gebouw van noord- en oost-Nederland. We kunnen maar hopen dat de toren nog wat broertjes en zusjes krijgt.
De borden langs de snelweg herinneren de modale bezoeker er al snel aan dat de Friezen een eigen taal en cultuur hebben. Plaatsnamen à la Sexbierum, Stiens, Dongjum en aanverwanten zijn niet meteen voor de hand liggende toponiemen. Met een verwijzing naar Franeker kunnen we niet anders dan terugdenken aan die mooie winterse dagen waarin de Elfstedentocht Friesland op de wereldkaart zette. Als kind keek ik met veel belangstelling naar de bevroren kanalen en kanaaltjes waar dappere mannen en vrouwen tweehonderd kilometer lang met de schaatsen over gleden. De figuur van Evert Van Benthem, de lokale boer die de helletocht twee jaar na elkaar won (1985 en 1986), is uitgegroeid tot een icoon van de streek. Het is alweer van 1997 geleden dat de laatste Elfstedentocht werd georganiseerd. Het is bijzonder moeilijk om een moment te vinden waarop het ijs overal aan de ideale condities voldoet.
Afsluitdijk



Op deze tocht keken we met bijzondere aandacht uit naar de constructie die de Zuiderzee definitief naar het verleden verwees. Door de aanleg van de Afsluitdijk splitste de binnenzee in enerzijds het IJsselmeer, aan landszijde, en anderzijds de Waddenzee, die het water naar de Noordzee leidt. Cornelis Lely, het brein achter de operatie, mocht het zelf niet meer meemaken, maar zijn invloed op het moderne Nederland is enorm. Zoals dat toen de gewoonte was heeft men de man uit dank langs de weg een standbeeld gegeven. Die weg is een autosnelweg met twee keer twee rijstroken. Op de dijk aan de Waddenzee-kant kan nu gewandeld en gefietst worden, maar oorspronkelijk was het de bedoeling om parallel aan de snelweg een spoorverbinding aan te leggen. Die is er uiteindelijk niet gekomen. In het Visitors Center kunnen we alles nog eens nalezen. De ijskoude temperatuur, de mist en het half bevroren IJsselmeer gaven ons bezoek een speciaal cachet. Het harde labeur van de arbeiders die hier dag in dag uit land op zee wonnen moet in dit soort weersomstandigheden haast onmenselijk zijn geweest.
Noord-Holland
De Afsluitdijk brengt je van Zürich (sic) in Friesland naar het dorp Wieringen de provincie Noord-Holland. De belendende Wieringermeerpolder was één van de eerste morzels land die op de Zuiderzee werd gewonnen, want zo heette de plas toen officieel nog. Enkhuizen, dat wat verderop aan het IJsselmeer ligt, is sinds midden jaren zeventig via een dijk verbonden met Lelystad op Flevoland. De zogenaamde Houtribdijk splitst het IJsselmeer de facto in twee. Het zuidelijke deel noemt men doorgaans het Markermeer, dat oorspronkelijk ook moest worden ingepolderd, maar zover is het alsnog niet gekomen. De Houtribdijk zorgt alvast voor een betere ontsluiting van Lelystad, dat hierdoor via een autoweg met Noord-Holland is verbonden. Zo hoef je vanuit Flevoland niet langs het drukke Amsterdam te rijden om een bezoekje te brengen aan Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Haarlem, IJmuiden of Den Helder. Ook een trip langs de Afsluitdijk zou iets te veel CO2 op de zilte zeelucht loslaten. Slimme kerels, die Nederlanders.
In de zeventiende eeuw profiteerde Enkhuizen van de grote activiteit van de West- en Oost-Indische Compagnie om met verre streken handel te drijven, maar een kleine honderd jaar later was het allemaal voorbij. De haven verzandde en ondertussen was Amsterdam de spil van het economisch leven geworden. Lange tijd had Enkhuizen de grootste haringvloot van Nederland, maar met de aanleg van de Afsluitdijk verdween ook die bedrijvigheid. Het pittoreske centrum heeft er echter een toeristische trekpleister van gemaakt, waar onder meer het Zuiderzeemuseum meer duiding moet geven over wat hier de voorbije eeuwen is gebeurd. De zogenaamde Drommedaris kijkt uit op het mooie haventje. Het imposante bouwwerk moest de infrastructuur verdedigen. Tegenwoordig is het een cultureel centrum.
Ook Hoorn, ten zuiden van Enkhuizen, werd rijk door de aanwezigheid van de diverse compagnies. Meer zelfs: twee van haar zonen, Jacob le Maire en Willem Cornelisz Schouten, voeren als eerste rond het zuidelijkste punt van Zuid-Amerika, dat tot op de dag van vandaag Kaap Hoorn is genoemd. De stad domineerde de streek, maar verloor, net zoals Enkhuizen, vanaf de achttiende eeuw haar welvaart, maar een eeuw later maakte Hoorn een comeback. Het werd een centrum van kaasproductie en profileerde zich als dienstencentrum van de streek, zodat de stad boven de IJ opnieuw incontournable was. Hier moeten we nog eens terugkomen, want in Hoorn is een bijzonder groot arsenaal aan erfgoed beschikbaar. We affronteerden de stad door er maar een uur aanwezig te zijn, maar zagen desalniettemin een mooie haven en een rijk centrum. In die haven domineert de Hoofdtoren de skyline. Het is een indrukwekkende restant van de vestingen rond de stad.
Cirkel
Een half uur later stonden we alweer in Amsterdam. De tijd was beperkt, de afstanden klein. Onze cirkel was rond. In twee dagen tijd hadden we met een sneltreinvaart een deel van Nederland gezien. Een weekendje Zuiderzee toont aan waartoe men in Nederland in staat is. Met visie kan je de natuur de baas. Uiteraard is daar wat gepalaver voor nodig geweest, maar uiteindelijk heeft men een duidelijk doel voor ogen gehad en dat consequent uitgevoerd.
Toen de IC terug de Belgische grens overstak maakte enige moedeloosheid zich van mij meester. Een tunnel of een brug? Een eengemaakte politiezone om de hoofdstad van Europa in de hand te houden? Het splitsen van een kiesarrondissement? Communautair geladen of niet communautair geladen? Actie!
Tags: afsluitdijk, aletta jacobs, amsterdam, brussel, enkhuizen, groningen, hoorn, lange wapperbrug, leeuwarden, nederland, VOC, wieringermeer, zuiderzee